Conclusie
Volgens het hof hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] de herkomst van geldbedragen verhuld en zich daarmee schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen (feit 2). Verder is de verdachte veroordeeld in verband met het voorhanden hebben van zogenaamde ‘frequency jammers’, die zijn ontworpen voor het veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van enig werk voor telecommunicatie (feit 3).
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, verzoeken om de heer R. Pellicano, officier van justitie te Milaan, als getuige te horen heeft afgewezen. In het onderstaande zal ik eerst het procesverloop weergeven. Vervolgens bespreek ik de door de stellers van het middel opgeworpen klachten.
111. Nadat het strafrechtelijk onderzoek jegens cliënten ruim een jaar liep, wordt ineens door het OM een kennelijke andere (mede)aanleiding voor het onderzoek jegens cliënten in het dossier geïntroduceerd. Eerst op 19 mei 2014 wordt gerelateerd in een proces-verbaal stand van zaken (bijlage 51 zaaksdossier Babel) dat informatie die het OM van het OM te Milaan (Italië) had ontvangen mede aanleiding had gevormd voor de start van het onderzoek jegens cliënten. Ter ondersteuning hiervan wordt gewezen op een proces-verbaal opgemaakt door Van der Schans, op 20 februari 2014 – aldus opgemaakt ruim acht maanden nadat het strafrechtelijk onderzoek reeds liep.
112. Op de precieze gang van zaken omtrent dit 'Italië-verhaal', en de daaraan te verbinden consequenties alsmede onderzoekswensen, zal hierna in paragaaf 5.6 van dit pleidooi worden terugkomen.
(….)
(…)
Het horen van officier van justitie te Milaan, de heer Roberto Pellicano:
213. Volgens het OM zou deze persoon de verzender van het betreffende e-mailbericht zijn geweest. Hij zou aldus kunnen bevestigen of dat hij dit e-mailbericht daadwerkelijk heeft verstuurd, alsook zou hij meer informatie kunnen verschaffen over de inhoud van het bericht en het daaropvolgende bezoek aan Italië. De verdediging wenst hem voorts te vragen of dat het OM te Milaan vanuit eigen initiatief het OM te Curaçao destijds heeft benaderd met de mededeling dat zij informatie hadden die relevant kon zijn, of dat dit mogelijk anders is geweest. Hiermee dient inzichtelijk te worden of, indien er contact is geweest met het OM te Italië, nog afgezien van de vraag of dit daadwerkelijk aanleiding zou hebben gevormd (zoals beweerd) voor onderhavig onderzoek, hierin daadwerkelijk een zelfstandige bron van verdenking lag, waarbij het MOT-traject geen rol zou spelen. De uitkomst hiervan is van belang voor de strafprocessuele gevolgen.
214. Bovendien zou de heer Pellicano kunnen worden gevraagd of dat het klopt dat het e- mailbericht ook van de zijde van het OM te Milaan niet meer te traceren is. Ook kan hem worden gevraagd om bij het OM aldaar nader onderzoek te laten verrichten.
(…)
- 5. R. Pellicano
(…)
Het verzoek tot het horen van de onder 1 tot en met 5 genoemde getuigen zal thans worden afgewezen. (…)”
(…) De voorzitter verzoekt de verdediging aan te geven op welke wijze zij haar verdediging wil voeren. (…) De raadsman verzoekt het Hof de beide meegebrachte getuigen, de heer Luparia (hierna: Luparia), en mevrouw Padovani (hierna: Padovani), alsmede de meegebrachte deskundige, de heer Contzé, (hierna: Contzé) hedenochtend te horen. (…) Tevens deelt mr. Knoops mede dat hij het verzoek doet de getuige dr. R. Pellicano (hierna: Pellicano) in persoon te horen, eventueel via een rogatoire commissie.
Mr. Knoops licht het verzoek tot het horen van de getuigen als volgt toe.
Het Gerecht in eerste aanleg heeft, op grond van een e-mail vanuit Milaan naar Curaçao, aangenomen dat het initiatief om contact te zoeken met het openbaar ministerie in Curaçao is uitgegaan van Pellicano. Wij hebben via een brief van 24 november 2016 navraag gedaan en op 2 december 2016 heeft Pellicano per brief geantwoord dat het initiatief voor het onderzoek niet van hem is uitgegaan. Op het moment dat de advocaat- generaal mr. Van der Schans op onderzoek uitging in Italië, was er helemaal nog geen sprake van een Italiaanse verdenking tegen de verdachte. De gang van zaken omtrent de e-mail is cruciaal voor ons verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Er is immers een concrete aanwijzing dat een aanname van het Gerecht omtrent één van de pijlers van het onderzoek niet klopt. Het proces-verbaal van de advocaat-generaal is naar ons oordeel in strijd met de waarheid opgemaakt en het Hof is hierdoor opzettelijk onjuist voorgelicht. Wij stellen ons op het standpunt dat dit de rechtmatigheid van de start van het onderzoek aantast. Het Hof heeft de plicht dit ambtshalve te onderzoeken. De meegebrachte getuigen kunnen verklaren wat Pellicano tegen hen heeft verklaard. Tevens verzoeken wij het Hof de getuige Pellicano alsnog in persoon te doen horen, om van hem te horen hoe het strafrechtelijk onderzoek is gestart.
Wij hebben tegen het horen van de meegebrachte getuigen geen bezwaar. Het openbaar ministerie heeft al schriftelijk verklaard dat wij ons verzetten tegen het verzoek om Pellicano als getuige te horen en de behandeling daartoe aan te houden. Wij blijven hierbij. Wij achten het verzoek allereerst onvoldoende onderbouwd. Er is geen nieuwe inhoudelijke informatie naar voren gekomen. De verdediging “gelooft” dat Pellicano in persoon relevant zou kunnen verklaren. Zij baseert dat op haar ervaring en op het “verloop van persoonlijke gesprekken met Pellicano”, maar zij laat niets los over de inhoud daarvan of over hetgeen hij precies tegenover haar heeft verklaard. Wij zijn van mening dat er geen enkele aanwijzing is voor onregelmatigheden bij de start van het onderzoek. De verdediging betoogt dat de manier waarop het contact tot stand gekomen is anders is verlopen dan in het proces-verbaal van mr. Van der Schans is gerelateerd. Wij hebben geen enkele reden om aan de juistheid van dit proces-verbaal of aan zijn getuigenverklaring te twijfelen. Bovendien kan men discussiëren over de vraag of het relevant is van wie het initiatief is uitgegaan. Vast staat dat het onderzoek is gestart op grond van Italiaanse verdenkingen. Het openbaar ministerie is van mening dat het verzoek tot het horen van Pellicano dient te worden afgewezen.
Pellicano heeft gezegd dat hij ten tijde van het eerste contact helemaal niet bekend was met [verdachte] of [medeverdachte] . Indien het initiatief niet van Italië is uitgegaan maar van mr. Van der Schans, is er tot twee keer toe een onjuiste ambtsedige verklaring afgelegd door een magistraat. Op een dergelijk stuk moet het Hof blind kunnen vertrouwen. Als er ook maar één opzettelijke onregelmatigheid in een ambtsedig proces-verbaal staat, is dat een aanwijzing voor mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Als het contact tussen Italië en Curaçao op een andere wijze tot stand is gekomen dan in de twee processen-verbaal is verklaard, moeten daar consequenties aan verbonden worden, dat kan niet worden genegeerd. Het opzettelijk onjuist voorlichten van het Hof wordt door de Hoge Raad onder het Zwolsmancriterium geschaard. Wij zijn van mening dat het horen van de getuige Pellicano cruciaal is voor het verkrijgen van een juist oordeel over de start van het onderzoek.
Het staat vast dat er in Italië een onderzoek naar de verdachte is gestart. Indien wij uitgaan van uw stelling dat het openbaar ministerie niet de waarheid verklaart over de wijze waarop het contact tussen Italië en Curaçao tot stand is gekomen, wat was dan het belang van het openbaar ministerie om dit contact te initiëren? Hoe kon het openbaar ministerie zonder informatie van de collega’s aldaar weten dat er in Italië mogelijk belastend materiaal over de verdachte te vinden was?
Ik verwijs naar het rapport van Reijntjes, dat zich in het dossier bevindt. Deze deskundige gaat er van uit dat het openbaar ministerie in eerste instantie slechts over de MOT meldingen beschikte en een hele grote behoefte had om de grondslag voor de start van het onderzoek naar de verdachte te verstevigen, omdat het op dun ijs was gebaseerd. Zonder de aanvullende informatie uit Italië was er eigenlijk helemaal geen reden om een strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte te starten. De grondslag hiervoor is kunstmatig gecreëerd. Wij hebben een notitie van Pellicano onder ogen gehad, waarin hij uitlegt hoe het contact met Curaçao tot stand is gekomen. Het is van belang dat het Hof van Pellicano zelf verneemt dat er geen legitieme start was voor het onderzoek. In het eerste rechtshulpverzoek wordt alleen gesproken over witwassen en valsheid in geschrifte. Er is geen sprake van omkoping en ook de e-mail en het bezoek van de advocaat-generaal worden op dat moment niet vermeld. Deze elementen zijn later toegevoegd. De verdediging vindt het vreemd dat het openbaar ministerie heeft geweigerd om dit nader te verklaren. De antwoorden die u zoekt vindt u bij Pellicano. In Milaan is iets gebeurd dat niet strookt met het verhaal van het openbaar ministerie, en dat zou voldoende moeten zijn voor het Hof om deze kwestie ambtshalve te onderzoeken. De verdediging verzoekt het Hof om het onderzoek over te nemen. Wij hebben nieuwe informatie aangeleverd, die ten tijde van ons eerdere verzoek in oktober nog niet bekend was. Wij herhalen ons verzoek om de getuige Pellicano te horen en het is thans aan het Hof om hierover opnieuw te beslissen. De stelling van het openbaar ministerie dat het niet van belang is hoe het precies is gegaan, is niet in overeenstemming met de jurisprudentie met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
(…)
8. Ik heb Pellicano met betrekking tot dit onderwerp drie keer ontmoet.
9. De ontmoetingen hebben plaatsgevonden op 2 december 2016, 20 januari 2017 en 17 februari 2017.Ik heb de inhoud van uw brief met hem besproken, en hem in algemene zin verteld dat u geïnteresseerd was in de manier waarop het strafrechtelijk onderzoek was gestart. Ik lees het gedeelte van de brief voor bij bulletpoint 1. Hij reageerde meteen met de verklaring dat hij zich een heel andere versie van het gebeurde herinnerde. Hij was het niet eens met de informatie zoals die door het openbaar ministerie Curaçao was verstrekt.
(…)
12. Pellicano zei op 20 januari 2017 dat hij bereid was om een schriftelijke verklaring, een affidavit, af te geven over de specifieke omstandigheden rond de start van het onderzoek, en het feit dat die volgens hem anders waren dan in de versie van het openbaar ministerie Curaçao.
13. In een later stadium besloot hij dat hij er de voorkeur aan gaf om niet een geschreven verklaring te geven, maar om zich direct door het Hof te laten horen. Hij is van mening dat dit de meest correcte manier is om deze kwestie te behandelen, te meer daar hij een collega is van de functionarissen van het openbaar ministerie.
(…)
(…)
10. Met betrekking tot deze zaak heb ik in totaal drie ontmoetingen met Pellicano gehad.
11. De ontmoetingen hebben plaatsgevonden op 20 januari 2017, 17 februari 2017 en 21 februari 2017.
(…)
13. Het klopt dat wij bij al die gelegenheden over de zaak hebben gesproken. (…) Pellicano vertelde dat hij over deze zaak nooit een e-mail heeft gestuurd aan het openbaar ministerie van Curaçao. Hij vertelde ons ook dat hij zich een andere versie van de start van de zaak herinnerde. Hij was erg verrast omdat hij het niet eens was met de bewering dat hij degene was die een e-mail naar Curaçao zou hebben gestuurd.
14. Hij was bereid om een affidavit af te geven omdat hij zich een andere versie van de gang van zaken herinnerde.
(…)
De jongste rechter vraagt aan de getuige: Als ik u goed begrepen heb, heeft Pellicano u meer info gegeven over de start van het onderzoek dan u ons nu vertelt, maar heeft hij u gevraagd om die informatie (nog) niet aan het Hof te vertellen, omdat hij het beter vond om die informatie rechtstreeks te geven. En omdat u het daar mee eens bent heeft u besloten om die informatie vandaag niet te verstrekken. Is dat correct?
De getuige antwoordt als volgt: Ja, dat klopt. Wij hebben met Pellicano de versie van het openbaar ministerie Curaçao besproken, met betrekking tot de volgorde van de gang van zaken rond de start van het strafrechtelijk onderzoek. Hij gaf duidelijk aan dat hij het niet eens was met deze versie en zich een andere gang van zaken herinnerde. Tijdens het gesprek van 20 januari 2017 met de heer en mevrouw Knoops, stemde Pellicano er mee in om een schriftelijke verklaring aan ons af te geven, inhoudende alle feiten en omstandigheden rond de start van het strafrechtelijk onderzoek die hij zich herinnerde. Dit was, zoals gezegd, een andere versie dan die het openbaar ministerie Curaçao aan het Hof heeft voorgelegd. Maar tijdens het gesprek van 17 februari 2017, wat eigenlijk tot doel had om de affidavit definitief op te stellen en door Pellicano te doen ondertekenen, vertelde hij dat hij van gedachten was veranderd. Na erover te hebben nagedacht bleef hij weliswaar bij het standpunt dat de versie van het openbaar ministerie van Curaçao niet correct was, maar vanwege zijn status als openbaar ambtenaar en omdat zijn affidavit een verklaring onder ede van een collega van een ander land zou weerspreken, had hij zich gerealiseerd dat het correcter zou zijn om een verklaring af te leggen ten overstaan van het Hof.
(…)
- dat Pellicano hen heeft laten weten verbaasd te zijn over hetgeen in de brief van de verdediging van 24 november 2016 stond vermeld ten aanzien van de start van het onderzoek en dat hij zich een andere versie van de start van het onderzoek herinnert;
- dat Pellicano persoonlijk geen e-mail aan het openbaar ministerie Curaçao heeft gestuurd;
- dat Pellicano over de inhoudelijke gang van zaken nog meer heeft gezegd, maar dat daar door de getuigen geen nadere mededelingen over kunnen worden gedaan.
Nu de getuigen weliswaar hebben verklaard dat Pellicano meer aan hen heeft verteld over de inhoudelijke gang van zaken, maar geen enkele indicatie hebben gegeven wat dat meerdere dan inhoudt, biedt ook dat, zelfs in samenhang met hetgeen verder is verklaard, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat Pellicano iets kan verklaren dat van belang kan zijn voor enige door het Hof in deze zaak te nemen beslissing.
Het Hof acht het horen van de getuige Pellicano, gelet op het bovenstaande, nodeloos en het verzoek zal worden afgewezen.”
De raadsman merkt voor dupliek, het volgende op.
Ten aanzien van het Italië-verhaal. Er kan toch niet ontkend worden dat mr. Van der Schans een duidelijk antwoord heeft gegeven op vraag 7 van zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris en uitdrukkelijk heeft gezegd dat onder de e-mail uit Italië de naam van Pellicano stond. Hij zegt ook dat hij met Pellicano heeft gebeld om te vragen of hij nog over de betreffende mail beschikt. Wij proberen geen verwarring te stichten. De verwarring is ontstaan door de handelwijze van het openbaar ministerie en met name door de verklaringen van mr. Van der Schans. Wij zijn van mening dat mr. Van der Schans in zijn proces-verbaal en tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris niet de waarheid heeft verteld. Het Hof moet volkomen kunnen vertrouwen op de juistheid van dergelijke stukken. Wij begrijpen niet dat het openbaar ministerie beweert dat het niet relevant is wie de e-mail heeft ondertekend of verzonden. Dat is juist bijzonder belangrijk. Als mr. Van der Schans hierover niet de waarheid vertelt en het openbaar ministerie Curaçao op eigen initiatief contact heeft gelegd met Italië, dan zijn wij allen vals voorgelicht. Dit is een ernstige kwestie, ik verwijs naar de bevindingen van de Hoge Raad in het Karman-arrest. Dit alles vormt te meer een reden om alsnog de getuige Pellicano in persoon te horen en aan de kennelijke verwarring die wij gesticht zouden hebben een einde te maken. Wij herhalen ons verzoek daartoe.”
De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard althans dat bewijsuitsluiting op zijn plaats is wegens normschendingen.
Hiertoe is onder meer gesteld dat er ten tijde van de start van het onderzoek onvoldoende verdenking jegens de verdachte bestond en dat het openbaar ministerie een “extra aanleiding” nodig had om het in 2013 tegen de verdachte lopende strafrechtelijke onderzoek meer gewicht te geven. Daartoe zou de advocaat-generaal mr. A.C. Van der Schans in 2014 met een (deels) onwaar verhaal over een e-mailbericht gekomen zijn dat door het openbaar ministerie in Milaan aan het openbaar-ministerie in Curaçao zou zijn gezonden.
- witwassen van voorwerpen, waaronder grote contante geldbedragen;
- opzettelijk doen van onjuiste belastingaangifte;
- overtreding van de Landverordening Financiën Politieke Groeperingen.
Uit de brief van de procureur-generaal van 28 januari 2013 komt een behoedzame benadering naar voren van de al langer op het internet circulerende geruchten rondom financiële transacties van de verdachte. Voordat het openbaar ministerie door middel van deze brief in actie kwam, waren meerdere, met bijlagen onderbouwde, aangiften gedaan. De brief van de procureur-generaal behelst nog geen opdracht tot een strafrechtelijk onderzoek op basis van een verdenking, maar de opdracht tot een onderzoek naar de in de aangiften genoemde transacties. Pas toen op grond van dit onderzoek bleek dat er voldoende verdenking jegens de verdachte aanwezig was, is het voortgezet als een strafrechtelijk onderzoek. Het Hof acht de gevolgde gang van zaken zorgvuldig en de uit het feitenonderzoek verkregen informatie voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit.
- de onrechtmatigheden in de MOT-aanleiding, en
- het Italië-verhaal.
as a wholewere not fair". Uit een en ander volgt dat de niet- ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld (vgl. HR 13-09-2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, rov. 2.3.4).
De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van achtereenvolgende onrechtmatigheden ten aanzien van de MOT-meldingen waar de verdenking tegen de verdachte op is gebaseerd.
Volgens de verdediging is om te beginnen op onrechtmatige wijze een veiligheidsonderzoek door de overheid uitgevoerd naar onder meer de verdachte, in het kader waarvan vertrouwelijke informatie bij overheidsdiensten, commerciële banken en dergelijke werd ingewonnen. De in het kader hiervan verkregen MOT-meldingen dienen eveneens als onrechtmatig te worden beschouwd. Deze MOT-gegevens zijn vervolgens gelekt en het kan volgens de verdediging niet anders zijn dan dat dat is gebeurd door een of meer overheidsdienaren. Het openbaar ministerie moet hiervoor verantwoordelijk worden gehouden en had op basis van deze informatie geen strafrechtelijk onderzoek mogen beginnen.
Ten aanzien van het door de advocaat-generaal Van der Schans opgemaakte proces-verbaal van 20 februari 2014 over de ontvangst van een e-mail van het openbaar ministerie te Milaan, het zogenaamde Italië-verhaal, heeft de verdediging het volgende aangevoerd.
Verder stelt het Hof vast dat de twee facturen waarvan advocaat-generaal Van der Schans in zijn proces-verbaal van 20 februari 2014 melding maakt daadwerkelijk hebben bestaan en dat kopieën daarvan zich in het dossier bevinden. De authenticiteit hiervan is dan ook niet in het geding. Deze kopieën zijn door middel van een rechtshulpverzoek aan Italië verkregen. Voor zover de gang van zaken rondom de e-mail en het daaropvolgende werkbezoek aan Italië niet (geheel) conform de verklaring van de advocaat-generaal zou zijn verlopen is de verdachte daardoor niet in zijn belangen geschaad, aangezien de kopieën van de beide facturen in aansluiting op dit werkbezoek op controleerbare en rechtsgeldige wijze zijn verkregen.
3. De officier van justitie doet de getuigen of deskundigen, opgegeven met inachtneming van het tweede lid, onverwijld dagvaarden, tenzij er naar zijn oordeel dwingende gronden bestaan om de dagvaarding te weigeren. In dit laatste geval maakt hij de verdachte opmerkzaam op het bepaalde in artikel 318, derde lid.
4. De getuigen en deskundigen, die zijn gedagvaard, worden gebracht op de in artikel 318, tweede lid, bedoelde lijst.”
2. Hij legt ook een lijst van de getuigen over, welke de voorzitter doet voorlezen door de griffier.
3. Onmiddellijk nadat de lijst is overgelegd en voorgelezen kan de verdachte, indien de dagvaarding van een door hem opgegeven getuige door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van die getuige te bevelen.
4. Het Hof beveelt dat de overeenkomstig artikel 289, tweede lid, opgegeven getuige, wiens dagvaarding is verzuimd of geweigerd, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard, tenzij de dagvaarding als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven van de dagvaarding redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.
5. De getuige, wiens dagvaarding door het Hof is bevolen of wiens plaatsing op de lijst door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, wordt door de griffier op de lijst gebracht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de getuige die gedurende de loop van het onderzoek op de terechtzitting is verschenen en niet bij het voorafgaande onderzoek tegenwoordig is geweest.
6. Op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte worden getuigen, die niet op de lijst voorkomen doch op de terechtzitting tegenwoordig zijn, op bevel van de voorzitter alsnog door de griffier op de lijst gebracht, tenzij de ondervraging van de getuige als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven daarvan redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuige à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.
7. Alle op de lijst gebrachte getuigen worden verhoord, tenzij het Hof met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van hun verhoor afziet.”
De bevoegdheid, zowel van de officier van justitie als van de rechter ter zitting, het verhoor van door de verdachte opgegeven getuigen te weigeren, indien door het achterwege blijven daarvan de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad, is niet uit de Nederlandse regeling overgenomen. Door de Straatburgse jurisprudentie worden aan de verwezenlijking van het betreffende recht van de verdachte steeds zwaardere eisen gesteld. Het leek aangewezen om hetzelfde criterium, zoals omschreven in art. 6 van Pro het Europese Verdrag (verdachte heeft dezelfde rechten als het OM), in artikel 323 op Pro te nemen. In het licht van dat criterium moet derhalve de nodeloosheid van de ondervraging worden beoordeeld. Zo zal nodeloosheid niet te snel mogen worden aangenomen, als de getuige nog niet eerder (in het vooronderzoek) is verhoord.” [7]
tweede middel en het derde middelkomen er in de kern op neer dat het hof een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
7. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.”
tweede middelis ten grondslag gelegd dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens het ontbreken van een verdenking jegens de verdachte heeft verworpen op gronden die die deze verwerping niet kunnen dragen.
derde middelbehelst de klacht dat het hof het uitdrukkelijk voorgedragen verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging subsidiair tot bewijsuitsluiting heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
vierde middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde “weten of begrijpen dat de geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf” niet uit de door het hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring in zoverre, mede in het licht van het door de verdediging aangevoerde, ontoereikend is gemotiveerd. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat:
- 15.000 USD en
- 10.000 USD en
- 50.000 USD en
- 50.000 USD en
- 53.422 USD en
- 20.000 USD,
de herkomst heeft verhuld, terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
In mei 2010 ontving ik de eerste overboeking en in juni 2010 de tweede. Na de eerste overboeking in mei 2010 heb ik een geldbedrag van 15.000 USD overgeboekt naar [C] Ltd. De creditcard schuld van [C] zou met de donaties van [betrokkene 1] worden afgelost. In juni 2010 waren [medeverdachte] en ik een paar dagen in Miami. Ik heb daar een aantal cheques gekocht. Een gedeelte daarvan, ter waarde van 100.000 USD, is gekocht op naam van [A] . Dit werd gedaan om mijn schuld af te lossen die ik bij [A] had gemaakt. Dit heb ik zo met [medeverdachte] afgesproken. Dit bedrag heb ik laten storten op de bankrekening van [A] . Dit bedrag is in mindering gebracht op de persoonlijke schuld die ik bij [A] had. Op dezelfde dag dat ik de cheques op naam van [A] heb gekocht, heb ik ook een cheque gekocht op naam van [medeverdachte] . Ik wist van [medeverdachte] dat een gedeelte van de donatie daarnaartoe moest. Op 14 juni 2010 kwam het tweede gedeelte van de donatie van [betrokkene 1] op mijn rekening. Ik heb toen opnieuw een cheque gekocht op naam van [medeverdachte] .
(p. 24) Verdachte [verdachte] is bestuurder en directeur van de vennootschap [A] NV op Curaçao. Deze vennootschap drijft een onderneming in brandstoffen en aanverwante zaken.
(p. 53) Citibank heeft de informatie verstrekt dat op 14 mei 2010 op een Citibankrekening op naam van verdachte [verdachte] een bedrag van USD 140.000,00, afkomstig van [B] Limited via de Banca Popolare di Milano is ontvangen.
(p. 54-55) Vanaf de Citibankrekening van verdachte [verdachte] zijn de volgende geldstromen op gang gekomen:
- op 17 mei 2010 is USD 15.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;
- op 14 juni 2010 is USD 10.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;
- op 11 juni 2010 is door middel van drie cheques een bedrag van de
Citibankrekening contant opgenomen. Het betreft twee cheques van elk
USD 50.000,00 en één cheque van USD 20.000,00;
- op 14 juni 2010 is door middel van een cheque een bedrag van USD 53.422,00 van de Citibankrekening contant opgenomen.
(p. 58-60) [C] Ltd. is gevestigd op de Marshall Islands en heeft een bankrekening bij de UBS AG te Genève. Alle door de RST verkregen bankafschriften van die bank zijn geadresseerd aan " [C] Ltd, BP Geneve", zonder nadere adresaanduiding.
(p. 66-67) Op 15 juni 2010 is een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Op 16 juni 2010 is opnieuw een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de vordering die [A] op verdachte [verdachte] heeft.
(p. 81-82) Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek Italië is een CD-rom verkregen, met excelbestanden erop, waaruit naar voren is gekomen dat vanaf een bankrekening die [B] aanhoudt bij Banco Populare di Milano twee betalingen zijn verricht naar [verdachte] bij de Citibank in Amerika, waaronder een bedrag van € 61.240,71 op 10 juni 2010.
Informatie van Citibank USA houdt in dat op 14 juni 2010 USD 73.422,00 door de Banco Populare di Milano is gestort op de rekening van [verdachte] , met als opdrachtgever [B] Limited.
(p. 85) De twee cheques met een totaalbedrag van USD 73.422,00 zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank te Curaçao en bij geschreven op de bankrekening van de [medeverdachte] .”
Op 11 juni 2010 hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] USD 120.000,00 van de Citibankrekening contant opgenomen en cheques gekocht van het opgenomen bedrag. Op 14 juni 2010 is op de Amerikaanse bankrekening nog USD 73.422,00 ontvangen, ook afkomstig van [B] .
Op 14 juni 2010 is vanaf de Amerikaanse bankrekening nog USD 15.00,000 overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening en nog USD 53.422,00 contant opgenomen en van het opgenomen bedrag is een cheque gekocht.
Twee van de in totaal vier cheques zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank in Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [medeverdachte] . De andere twee hebben op respectievelijk 15 juni 2010 en 16 juni 2010 geleid tot bijschrijvingen op een bankrekening van [A] bij de MCB Bank in Curaçao.
vijfde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde “verhullen” van de herkomst van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen niet uit de door het hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring in zoverre, mede in het licht van het door de verdediging aangevoerde, ontoereikend is gemotiveerd.
zesde middelbehelst de klacht dat het hof het onder 3 bewezen verklaarde, voor zover daarin is neergelegd dat de verdachte de frequency-jammers voorhanden heeft gehad met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 2:107, eerste lid, SrC wordt gepleegd, mede in het licht van een door de verdediging gevoerd verweer, ontoereikend heeft gemotiveerd.
zij op 9 december 2013, in Curaçao tezamen en in vereniging met een ander technische hulpmiddelen die ontworpen zijn voor het opzettelijk veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van enig werk voor telecommunicatie,
te weten een
- frequency-jammer, merkloos met serienummer [001] [beslagnummer 33.3.6.4] inclusief bijbehorende afstandbediening [beslagnummer 33.3.5.5] en
- een frequency-jammer, merkloos zonder serienummer [beslagnummer 33.4.2.50]
met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 2:107 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd;
zij op 9 december 2013, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander twee radio-elektrische zendinrichtingen, te weten (een):
- frequency-jammer, merkloos met serienummer [001] [beslagnummer 33.3.6.4] en/of inclusief bijbehorende afstandsbediening [beslagnummer 33.3.5.5] en
- een frequency-jammer, merkloos zonder serienummer [beslagnummer 33.4.2.50]
- (anders dan krachtens concessie) aanwezig heeft gehad terwijl aan haar, verdachte, hiertoe geen machtiging van de Minister (van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning) was afgegeven;”
Bank 33.3.6.4 ; Jammer; op de plank nummer 6 van de slaapkamer genummerd 3;
Bank 33.3.5.5; Jammer; in de kast nummer 5 van de slaapkamer genummerd 3;
Bank 33.4.2.50; Jammer; op de vloer in kantoor genummerd 4;
Goed Bank 33.3.5.5: Dit apparaat is een radiofrequente afstandsbediening, behorend bij het apparaat Goed Bank 33.3.6.4. Dit apparaat wordt gebruikt om op afstand het apparaat Goed Bank 33.3.6.4 te bedienen. Conform artikel 15 lid 1 Ltv Pro is het anders dan krachtens concessie verboden radio-elektrische zendinrichtingen aan te leggen, aanwezig te hebben of te gebruiken dan wel te exploiteren, tenzij met machtiging van de Minister.
Goed Bank 33.4.2.50: Dit apparaat is een niet draagbare “frequency jammer”. Een “frequency jammer” zendt radiogolven uit op frequentiebanden die worden gebruikt voor draadloze communicatie. Dit apparaat blokkeert de communicatie tussen basisstation en mobiele telefoon, waardoor men geen gesprekken kan ontvangen of plaatsen. Conform artikel 15 lid 1 Ltv Pro is het anders dan krachtens concessie verboden radio-elektrische zendinrichtingen aan te leggen, aanwezig te hebben of te gebruiken dan wel te exploiteren, tenzij met machtiging van de Minister. In het onderhavige geval zal de Minister geen machtiging verlenen voor een dergelijk apparaat, aangezien het storing veroorzaakt aan een concessiehouder.
Onderzoek Goed Bank 33.4.2.50: Het betreft een jammer, met het oogmerk opzettelijk GSM/DCS/CDMA/GPS-verkeer te verstoren. Na het aanzetten van deze jammer zagen wij, verbalisanten, in onze directe omgeving verstoring van het GSM/3G-netwerk van zowel UTS als Digicell. Hierdoor was het gebruik van GSM’s in de directe nabijheid van de jammer niet meer mogelijk gedurende de tijd dat deze aanstond.
p. 51 e.v., opgesteld en ondertekend door mevr. mr. C.I.M. Sandries, inhoudende als verklaring van voornoemde met betrekking tot aanvullende vragen ten aanzien van het onderzoek van de inbeslaggenomen goederen Bank 33.3.6.4, Bank 33.3.5.5 en Bank 33.4.2.50 zakelijk weergegeven:
De verdachte [medeverdachte] is geen houder van een concessie als bedoeld in artikel 15 lid 1 van Pro de Landsverordening Telecomvoorzieningen. Voor het aanwezig hebben van de betreffende “jammers” heeft de verdachte [medeverdachte] een machtiging nodig van de minister.
Van 28 november 2013 tot 3 december 2013 heeft de gebruiker van het emailadres [emailadres] , [verdachte] , contact met de gebruiker(s) van het emailadres support@iammerfun.com van het bedrijf Jammerfun wholesale limited. In deze e-mails tracht [verdachte] een aantal “jammers” aan te schaffen, (bijlagen, pag. 18 en pag. 20).
In deze emails wordt advies gevraagd aan [betrokkene 6] welk type “jammer” het beste kan worden aangeschaft.”
II. Titel VII van het Tweede Boek van het Curaçaose Wetboek van Strafrecht, waaronder het artikel 2:107 Sr Pro valt, bevat bepalingen die zien op gedragingen die gevaar veroorzaken voor personen of goederen, zonder dat deze gedragingen zich richten tegen bepaalde goederen of personen. Het betreft enkel 'gemeen-gevaarlijke' delicten.
12. Voor de artikelen die vallen onder titel VII van het Tweede Boek, is het gemeenschappelijk kenmerk het veroorzaken van een gevaar dat de algemene veiligheid bedreigt en waarvan hij die het veroorzaakt de omvang niet vooraf kan berekenen of naar willekeur kan bepalen. Zodra de gevaarzettende handeling is verricht, is het misdrijf voltooid. Indien het feit geen gevaar voor de algemene veiligheid oplevert, kan een veroordeling voor dit feit niet volgen.
13. De inbeslaggenomen frequency jammers konden enkel mobiele telefonie in de directe omgeving verstoren maar waren niet in staat om andere lijnen te verstoren, noch kon het een storing opleveren voor eventuele hulpdiensten. Dit vormt echter wel de rationale van de strafbaarstelling, zoals tevens is te vinden in de Memorie van Toelichting van de Landsverordening. Het gebruik van de inbeslaggenomen jammers zou geen gevaar voor de veiligheid ontstaan nu het niet de telefoon van hulpdiensten blokkeerden. De jammers waren slechts bedoeld om afluisteren in de slaapkamer en de studeerkamer van de woning te voorkomen.
14. [medeverdachte] heeft zich er van tevoren van vergewist dat de aangetroffen frequency jammers geen enkel effect zouden hebben op de frequenties van bijvoorbeeld de ambulance en de politie. Hij had dit opgezocht via verschillende websites, waaronder www.phantom.co.il/technology.
15. Door het OM is nimmer aangetoond dat het gebruik van de aangetroffen c.q. inbeslaggenomen jammers daadwerkelijk een gevaar konden opleveren voor de algemene veiligheid en/of de telefoonlijnen van de hulpdiensten.
16. Van belang is tevens dat de omvang van de storing wel vooraf kon worden berekend en niet naar willekeur kon worden bepaald, hetgeen een vereiste is voor een "gemeen-gevaariijk" delict. De omvang van de storing was zeer gering nu het bereik van de frequency jammers zeer beperkt was - hoogstens 45 meter - en [medeverdachte] was hiervan op de hoogte. Het bereik kon ook niet naar willekeur worden bepaald omdat de frequency jammers niet een verder bereik hadden dan technisch mogelijk. Willekeur speelde hier geen enkele rol in.
18. Ten onrechte stelt het Gerecht van eerste aanleg op pagina 34 van het vonnis dat "gemeen gevaar" geen vereiste is voor een bewezenverklaring. Ofschoon gevaarzetting formeel geen bestanddeel van art. 2:107 Sr Pro is, geldt dit wel als impliciet bestandsdeel voor het aannemen van wederrechtelijkheid (zie hierna).
19. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2014 is af te lezen dat de jammers slecht een zeer beperkt bereik hadden. Slechts het gebruik van mobiele telefonie kon worden verstoord in de directe omgeving van de frequency jammer. Dezelfde conclusie wordt getrokken door het BT81P in het proces-verbaal omtrent de resultaten van hun onderzoek van 18 maart 2014. Uit onderzoek is gebleken dat de jammer slechts mobiele telefonie kan verstoren die zich in de directe omgeving (binnen het bereik) van de jammer bevond.
20. Conform artikel 2:107 lid 2 sub a Sr Pro is het strafbaar om jammers voorhanden te hebben met het oogmerk om hiermee storing te veroorzaken in een openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst. De vraag die rijst is of de jammers die zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte] en [verdachte] in staat waren om een storing te veroorzaken in een openbaar telecommunicatienetwerk nu het bereik zo beperkt was. [verdachte] heeft dit tevens bevestigd in haar verklaring van 24 mei 2017, waarin zij verklaard dat als de jammer in de slaapkamer aan stond, je in de keuken gewoon kon bellen. De jammer verstoorde enkel het gebruik van mobiele telefoons in de slaapkamer maar niet in de andere kamers van het huis.
21. Ter aanvulling, de frequency jammers die zijn aangetroffen, hebben volgens de gebruiksaanwijzing van een vergelijkbaar product een beperkt bereik. In de woning is een draagbare jammer aangetroffen met een kleine radius. De inbeslaggenomen jammers zijn vergelijkbaar met dit apparaat: (…)
22. Een frequency jammer als het bovenstaande, en als de inbeslaggenomen jammer, is een 12W high power phone jammer en heeft een bereik tussen de 0-45 meter. Met een frequency jammer met een dergelijk bereik kan slechts in een klein gedeelte van een woning het mobiele signaal worden verstoord. Dit kan niet de algemene telefonische infrastructuur beïnvloeden, noch verstoren. Om deze reden kan er geen bewezenverklaring volgen.”
De verdachte zal worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van audio-jammers en spy-phone protectors, omdat niet is bewezen dat dit technische hulpmiddelen zijn die ontworpen zijn voor het opzettelijk veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van of enig werk voor telecommunicatie.”
a. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor wederrechtelijk verhindering of bemoeilijking van de opslag, verwerking of overdracht van gegevens ten algemenen nutte of stoornis in een openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst, ontstaat;“
openbaarnetwerk of een
openbaretelecommunicatiedienst, snijdt geen hout. De enkele omstandigheid dat de jammers een beperkt bereik hebben, laat onverlet dat zij zijn ontworpen om binnen dat bereik communicatie via een openbaar telecommunicatienetwerk dan wel de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst te verstoren. Daarmee doet zich nog niet de situatie voor waarin het telecommunicatienetwerk dan wel de telecommunicatiedienst slechts toegankelijk is voor een besloten gebruikersgroep. [37] Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij merk ik nog op dat de stelling van de verdediging dat “gemeengevaarlijkheid’ een impliciet bestanddeel van art. 2:107 SrC Pro vormt, geen steun vindt in het recht.
zevende middelbehelst de klacht dat het hof de verwerping van een ten aanzien van feit 3 gevoerd verweer, inhoudende dat de verdachte een beroep op een rechtvaardigingsgrond toekomt omdat zij de frequency-jammers voorhanden heeft gehad teneinde zichzelf en haar partner te kunnen beschermen tegen illegale afluisterapparatuur.
23. De reden voor het in bezit hebben van deze apparaten, zowel de audio-jammers als de spy- phone protectors, was niet om de wet te omzeilen. Juist integendeel. Dit volgt duidelijk uit de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] .
24. [medeverdachte] heeft op 23 mei 2014 al verklaard dat hij aangifte zou hebben gedaan van afluisterapparatuur die in zijn auto was aangetroffen. In november 2013 had [medeverdachte] al aangifte gedaan van de aangetroffen afluisterapparatuur. Tot zijn spijt had hij na zijn aangifte niets meer vernomen van de politie.
25. Naar aanleiding van de aangetroffen afluisterapparatuur in de auto van [medeverdachte] , heeft hij besloten om de frequency jammers aan te schaffen om er zo voor te zorgen dat hij zijn privacy in zijn eigen woning kon waarborgen. In de auto was al afluisterapparatuur aangetroffen en de kans was aanwezig dat dit ook in de woning zou zijn geplaatst. De jammers zijn gekocht enkel om te voorkomen dat zij in hun eigen woning werden afgeluisterd. [medeverdachte] was onder de veronderstelling dat de aangetroffen frequency jammers afluisterapparatuur zouden verstoren.
26. Op grond van artikel 8 lid 1 EVRM Pro heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. [medeverdachte] heeft door de frequency jammers aan te schaffen zijn recht op privacy willen waarborgen. Het recht op privacy kan op basis van artikel 8 lid 2 EVRM Pro enkel worden beperkt indien dit in de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. [medeverdachte] heeft niet kunnen achterhalen wie de afluisterapparatuur had geplaatst in zijn auto maar het was aannemelijk dat dit niet was geplaatst door een overheidsinstantie die daartoe gerechtigd was omdat hij toen nog niet als verdachte was aangemerkt en gezien zijn politieke positie. De overheid zelf was kennelijk niet in staat om dit recht ten aanzien van [medeverdachte] te waarborgen.
27. Zoals hiervoor al is aangegeven, heeft [medeverdachte] afluisterapparatuur in zijn auto aangetroffen en heeft met de inbeslaggenomen frequency jammers willen voorkomen dat zijn recht op privacy verder werd geschonden. Dat de jammers zijn aangeschaft om hun eigen privacy te waarborgen, wordt te meer geïllustreerd door de plaatsen waar de frequency jammers zijn aangetroffen, namelijk in de slaapkamer en in de studeerkamer. Dit zijn vertrekken in een privéwoning waarin verwacht kan worden dat iemand daar vrij kan spreken.
28. Bovendien is het aannemelijk dat [medeverdachte] ook in zijn woning het doelwit kan zijn geweest van afluisterpraktijken of in ieder geval het gevaar liep hiervan slachtoffer te worden. In zijn auto was al afluisterapparatuur aangetroffen, waarvan aangifte is gedaan bij de politie.
Daarenboven was [medeverdachte] een publiekelijk figuur omdat hij partijleider is van de grootste politieke partij op Curaçao, parlementslid is geweest en voormalig Minister-President is.
29. Dit motief om deze jammers aan de schaffen legt de basis voor de conclusie dat [medeverdachte] niet wederrechtelijk heeft gehandeld c.q. bij hem schuld in de zin van verwijtbaarheid ontbrak.
(…)
1.4.1 Ontbreken materiële wederrechtelijkheid
37. Mocht uw hof de verdediging hierin niet volgen, dan komt aan zowel [medeverdachte] en [verdachte] een beroep toe op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid.
(…)
39. De vragen die dienen te worden gesteld bij de eventuele toepassing van het verweer van materiële wederrechtelijkheid, zijn: "Is het handelen des daders sociaal adequaat, paste het in het maatschappelijk rollensysteem, was het zinvol, was het (negatief geformuleerd) 'niet-subsociaal'?" Indien dit het geval is, is er geen sprake van wederrechtelijk handelen.
40. Een andere opvatting van de invulling van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid is dat het beroep daarop dient te worden gehonoreerd wanneer gelet op de strekking van de strafbepaling en op de kennelijke bedoeling van de wetgever het tenlastegelegde en bewezen gedrag niet ongeoorloofd is te achten, hetzij, omdat het beschermde rechtsbelang nu juist werd gediend, hetzij niet werd geschonden naar heersende opvattingen.
(…)
42. Zelfs indien wederrechtelijkheid geen uitdrukking vindt in de delictsomschrijving van het ten laste gelegde feit, kan een beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid worden gehonoreerd.
43. Gelet op het feit dat er een beroep kan worden gedaan op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, verzoeken wij uw hof om [medeverdachte] en [verdachte] te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van dit feit.
44. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij nooit de opzet had om de algemene veiligheid in gevaar te brengen met het gebruik van de jammers. Om de veiligheid te waarborgen, heeft hij voor het aanschaffen gecontroleerd of de frequency jammers de telefoonlijnen van de hulplijnen kon verstoren. Uit zijn online onderzoek is gebleken dat dit niet het geval was. Hij heeft de twee frequency jammers enkel aangeschaft om zijn recht op privacy te kunnen beschermen.
45. Nu tevens is vast komen te staan dat de inbeslaggenomen jammers slechts een beperkte radius hadden, waardoor de telefoonlijnen van de hulpdiensten niet verstoord konden worden, kan niet meer worden aangenomen dat het voorhanden hebben van de jammers wederrechtelijk is, nu het niet voldoet aan het "veiligheidscriterium". Bovendien, het oogmerk was nooit gericht op het verstoren van de telefoonlijnen van de hulpdiensten en [medeverdachte] had zich vergewist van het feit dat het geen verstoring zou opleveren.
46. Conclusie: wij verzoeken u primair om [medeverdachte] ten aanzien van het voorhanden hebben van frequency jammers - zo het OM in casu al een vervolgingsrecht heeft -, te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. (…)”