Conclusie
- 3 subsidiair: “enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden” en
- 4 en 6: “opzettelijk een voorwerp als bedoeld in artikel 98 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich houden, meermalen gepleegd”
Het door de AIVD verrichte inlichtingenonderzoek
eerste middelklaagt over de verwerping van de in hoger beroep gevoerde verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
Without such protection, sources may be deterred from assisting the press in informing the public on matters of public interest.[onderstreping AG] As a result the vital public-watchdog role of the press may be undermined and the ability of the press to provide accurate and reliable information may be adversely affected.
Having regard to the importance of the protection of journalistic sources for press freedom in a democratic society and the potentially chilling effect an order of source disclosure has on the exercise of that freedom [onderstreping AG], such a measure cannot be compatible with Article 10 of the Convention unless it is justified by an overriding requirement in the public interest (see
Goodwin, cited above, § 39;
Voskuil, cited above, § 65;
Financial Times Ltd. and Others, cited above, § 59; and
Sanoma, cited above, § 51).”
The distinction lies in that the latter protection is twofold, relating not only to the journalist, but also and in particular to the “source” who volunteers to assist the press in informing the public about matters of public interest[onderstreping AG] (see
Nordisk Film, cited above).
Ravagewas to don the veil of anonymity with a view to evading his own criminal accountability.
For this reason, the Court takes the view that he was not, in principle, entitled to the same protection as the “sources” in cases[onderstreping AG] like
Goodwin,
Roemen and Schmit,
Ernst and Others,
Voskuil,
Tillack,
Financial Times,
Sanoma, and
Telegraaf.
uitsluitendstrekt tot bescherming van de belangen van de journalist zijn bron niet prijs te geven. Art. 10 EVRM Pro beoogt ook in voorkomende gevallen bescherming te bieden aan de bron zelf, teneinde deze niet af te schrikken de pers te ondersteunen in zijn democratisch belangrijke taak informatie van publiek belang te publiceren, al moet worden toegegeven dat uit deze overwegingen niet kan worden afgeleid waaruit deze bescherming dan zou moeten bestaan. Een dergelijke vraag is naar mijn weten nog niet aan het EHRM voorgelegd.
carte blancheheeft gegeven voor gelijksoortig optreden in de toekomst. Zoals het hof terecht heeft overwogen is de toetsing van het optreden van de AIVD de taak van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en blijkt uit onderhavige zaak dat deze het optreden van de AIVD heeft onderzocht en jegens de journalisten onrechtmatig heeft geacht, waardoor strafrechtelijke vervolging van deze journalisten is uitgebleven. Ook al is in de Telegraaf-zaak door het EHRM uitgemaakt dat een dergelijke toetsing achteraf onvoldoende waarborg is en dat er sprake zou moeten zijn van een rechterlijke toetsing vooraf, kan naar mijn oordeel niet gesteld worden, dat het journalistiek bronbeschermingsrecht “goeddeels illusoir” zou worden als het bewijs in onderhavige zaak niet zou worden uitgesloten, of dat de verdachten geen eerlijk proces hebben gekregen doordat het hof het bewijs dat is verkregen als gevolg van het tappen van journalisten toelaatbaar heeft geacht in de strafzaken tegen verdachte en [medeverdachte].
omdathet hof een aantal door de verdediging aangevoerde omstandigheden niet expliciet heeft betrokken in de motivering van de verwerping van de verweren, stuit in beginsel af op de omstandigheid dat de motiveringsplichten van art. 358, derde lid, en 359, derde lid, Sv niet zo ver gaan dat bij de verwerping van een verweer op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [33]
tweede middelklaagt dat het hof in onvoldoende mate de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot afwijking van een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging betreffende feit 2, waardoor de bewezenverklaring van dit feit onvoldoende is gemotiveerd.
derde middelbevat de klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat een proces-verbaal van de KLPD betreffende een observatie moet worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad hiernaar onderzoek te verrichten.
door argumenten geschraagden voorzien van een ondubbelzinnige conclusie bij niet-aanvaarding tot een nadere motivering.
vierde middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte een geheim opzettelijk heeft geschonden, althans dat het hof een daaromtrent gevoerd verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
[betrokkene]: ja.
[medeverdachte]: Die komen natuurlijk nadrukkelijk in beeld en uhm, het gaat erom, om, om een uhm, een nationale kwetsbaarheidsanalyse op dat gebied te maken.
[betrokkene]: Ja, ja, oké.
[medeverdachte]: Het gaat erom, om vooral binnen de vitale uhm, sectoren, er zijn er vijf benoemd geloof ik
[betrokkene]: Ja.
[medeverdachte]: Vijf echt vitale uhm, uhm, onderdelen van, van, van het maatschappelijk leven zeg maar.
[betrokkene]: Ja.
[medeverdachte]: En ook bedrijven daarin, uhm, ja in hoeverre die kwetsbaar c.q. robuust zijn tegen uhm, tegen allerlei aanvallen.
[betrokkene]: Ja, oké.
[medeverdachte]: Dus ook op cybergebied.
[betrokkene], Ja, nou ja, als [verdachte] nog een keertje wil praten, ik vind het altijd wel leuk om …
[medeverdachte]: te sparren, ik zal het voorzichtig eens uhm, eens brengen uhm, want zij uhm, gaat het vanaf 22 juni trekken.
[betrokkene]: Ja.
[medeverdachte]: En, uhm, ja die analyse moet er 1 november liggen.
geboortedatum: [geboortedatum] 1969
geboorteplaats: [geboorteplaats]
- dat zij die gegevens niet aan niet gerechtigden zal onthullen.”
vijfde middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is op 27 februari 2013 ingesteld en de stukken van het geding zijn pas op 8 november 2013 door de Hoge Raad ontvangen.