Conclusie
…
als verklaring van aangever [betrokkene 3]:
als verklaring van [getuige 1], afgelegd op 13 februari 2007:
…
als verklaring van [getuige 1], afgelegd op 5 december 2006:
als verklaring van [betrokkene 9], afgelegd op 6 mei 2007:
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voordeelberekening:
eerste middelbehelst, mede gezien de toelichting daarop, de klacht dat het Hof het verweer van de verdediging dat de verklaringen van de inmiddels overleden getuige [getuige 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu zij in strijd met het bepaalde in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM niet in staat is (geweest) deze getuige (nader) te horen [2] heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, “aangezien verzoeker blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, na geconfronteerd te zijn met getuigenverklaringen, zijn hoedanigheid van pleger en medepleger heeft betwist met de woorden “zij hebben financiële problemen gekregen en zij hebben iemand nodig om als schuldige aan te wijzen”, terwijl het steunbewijs opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen deze aantijging niet weerlegt”, zodat in zoverre het oordeel dat sprake is van in voldoende mate aanwezig steunbewijs niet zonder meer begrijpelijk is en op grond daarvan de bewezenverklaring niet naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed. Voorts is voormelde weerlegging ontoereikend, aldus de steller van het middel, nu het Hof heeft verzuimd compensatoire maatregelen te treffen, die het ontbreken van het ondervragingsrecht in voldoende mate zouden kunnen compenseren; het Hof had procedurele compensatie moeten bieden in een (ambtshalve) oproeping en getuigenverhoor van de betrokken aangevers aangezien de betrokkene hen van vals spel beschuldigt.
criminal chargein de zin van art. 6, eerste lid, EVRM ten grondslag. [4] Die betekenis heeft de wetgever, na toetsing aan het Hauschildt-arrest van het EHRM van 24 mei 1989 (nr. 10486/83) [5] , in zoveel woorden aan de ontnemingsvordering gegeven ten einde strijdigheid met het ‘nemo debet bis vexari-beginsel’ (of zoals de minister van Justitie het wat algemener noemde: het ‘ne bis in idem’-beginsel) te pareren. Aldus laat zich ook verklaren dat in art. 311, eerste lid voorlaatste volzin, Sv het voorschrift is opgenomen dat de officier van Justitie bij het overleggen van zijn vordering in de hoofdzaak in eerste aanleg, kenbaar maakt of hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken. Deze verwevenheid van de ontnemingsvordering met de strafvervolging wordt naar vaste rechtspraak door de Hoge Raad onderschreven. [6]
solely or to decisive extentop de belastende verklaring van het slachtoffer was gebaseerd. Voor zover hier van belang [7] kan uit het Al-Khawaja & Tahery-arrest worden afgeleid dat het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudend een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende getuigenverklaring niet onverenigbaar is met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Deze verfijning van zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot het recht op een
fair trial, waarvan het beginsel van
a fair and public hearingdeel uitmaakt [8] ,komt voort uit de vooropstelling dat de ‘
sole or decisive rule’onder de werking van de
overall fairness of the proceedingsop een flexibele manier behoort te worden uitgelegd. Wanneer in dit kader de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad in enig stadium van het strafgeding de getuige te ondervragen, is sprake van het ontbreken van
“an adequate and proper opportunity to question a witness against him either when he or she was testifying or at a later stage of the proceedings”. In dat geval dienen blijkens het Al-Khawaja & Tahery-arrest ten minste twee punten te worden onderzocht:
counterbalancing factors– ten behoeve van de verdediging aangereikt, waaronder begrepen de toetsing van de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaring?
good reasonis de ter terechtzitting verschenen getuige die op grond van een aan hem toekomend verschoningsrecht weigert antwoord te geven op aan hem gestelde vragen. Op deze variant ziet de Vidgen-rechtspraak van het EHRM en, in navolging daarvan, de post-Vidgen rechtspraak van de Hoge Raad (zie hierna onder 21). Een ander voorbeeld levert de onderhavige zaak op: de verzochte getuige is overleden voordat hij door de verdediging in enig stadium van de strafvorderlijke procedure, in dit geval mede omvattend de ontnemingsprocedure, is kunnen worden gehoord. Ingevolge het door het EHRM aangelegde toetsingskader, dienen zich vervolgens de vragen aan of (ii) de getuigenverklaring
sole or decisivebewijsmateriaal is en -
zo ja- (iii) of de verdediging in dat verband voldoende compensatie is geboden die aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordt. Ik benadruk dat de toets aan factor (iii) achterwege kan blijven wanneer er wél voldoende steunbewijs voorhanden is met betrekking tot die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. [11]
counterbalancing factorsten behoeve van de verdediging moeten worden aangereikt indien deze getuige op verzoek van de verdediging is opgeroepen en ter terechtzitting is verschenen om te worden gehoord omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring en deze getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen. Worden in een dergelijk geval compenserende factoren niet aangeboden, dan zou een bewijs voor de schatting en de vaststelling van het wederrechtelijk door de betrokkene genoten voordeel ernstig afbreuk doen aan een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
counterbalancing factorsenkel aan de orde komt indien zulk steunbewijs ontbreekt.
tweede middelkomt met twee klachten op tegen het oordeel van het Hof dat het door [getuige 1] verrekende geldbedrag aan de betrokkene ten goede is gekomen aangezien hem dit kwijt van de plicht tot betaling van de openstaande facturen inzake [A], welk oordeel volgens de steller van het middel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.