Conclusie
eerste middelklaagt dat het onderzoek ter terechtzitting van 30 mei 2016 niet in het openbaar is geschied.
NJ2000/633 het volgende overwogen:
Stb. 528), omgekeerd dat met het oog op het belang van de minderjarige de zaak in beginsel “achter gesloten deuren” wordt behandeld [15] , ook als de jeugdige verdachte niet terechtzitting verschijnt en tegen hem verstek wordt verleend [16] , zij het dat de voorzitter aan bepaalde personen bijzondere toegang kan verlenen. Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om in bijzondere gevallen een openbare behandeling van de zaak te gelasten. Art. 495b Sv luidt:
ten tijde van het begaan van het feithad – en dus niet het moment waarop de strafvervolging aanvangt of tot dagvaarding wordt overgegaan [17] – beslissend voor de toepasselijkheid van de Tweede afdeling voor zover Titel II geen afwijkende bepalingen kent. Deze voor het jeugdstrafrecht geschreven hoofdregel geldt ook in hoger beroep.
criminal chargein de zin van art. 6, eerste lid, EVRM berusten. [23] Met het oog daarop zij hier nog eens aangetekend dat art. 488, tweede lid, Sv op de leeftijd ten tijde van het begaan van het feit ziet, en niet op het moment waarop de strafvervolging aanvangt of tot dagvaarding wordt overgegaan.
tweede middelmitsdien geen bespreking behoeft, daarover kort het volgende. Het keert zich met een viertal motiveringsklachten tegen de aan ’s hofs oordeel ten grondslag gelegde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, meer in het bijzonder met betrekking tot de periode die het hof daarbij tot uitgangspunt heeft genomen, het aantal telefoontjes dat drugs-gerelateerd wordt geacht en het aantal telefoontjes dat tot een geslaagde deal, met gemiddeld 1 gram cocaïne per deal, heeft geleid.