Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De zaak
3.Middelen gericht tegen het bewijs van de ambtelijke corruptie
verontschuldigbare dwalingoverweegt het hof dat een beroep op afwezigheid van alle schuld slechts kan slagen wanneer aannemelijk is dat de verdachte zich niet bewust was van het feit dat hij als ambtenaar een gift vroeg om iets te doen in zijn bediening en hem van die onbewustheid ook geen verwijt te maken valt.
[AG: dat hij als algemeen directeur van N.V. [A] ]de directeur van [B] B.V. aanstuurde. De verantwoordelijkheid over het netwerkbeheer heeft het hof afgeleid uit verklaringen van de verdachte en van de getuige [betrokkene 4] , de directeur van [B] B.V. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde belast was met de uitvoering van de Splitsingswet en dat dit bij uitstek een publieke taak is.
4.De middelen gericht tegen het bewijs van de valsheid in geschrift
Opmerking: Tijdens de doorzoeking in uw woning op 8 mei 2012 werd een mapje aangetroffen. Daarin een niet ondertekende verklaring over de werkzaamheden van [E] BV voor [D ] (D-129), een A-4 met daarop geschreven [verdachte] [a-straat 1] , [plaats] (D-130) en een (kopie) van een brief/verklaring die u kennelijk voor [verdachte] heeft opgesteld waarin wordt bevestigd dat de betaling van de diensten van [E] BV aan [D ] geen verband hielden met de eerdere verkoop van [C] aan [D ] (D-131). D-214 Op de computer van [verdachte] hebben wij precies dezelfde concept verklaring van D-129 aangetroffen (D-214). Vraag: Wat kunt u over deze bij u thuis aangetroffen documenten en het 'concept' aangetroffen op de computer van [verdachte] verklaren?Antwoord: Daar heb ik zojuist over verklaard. Ik kreeg dit concept (D-129) van [verdachte] . Op D-130 staat het adres van [verdachte] . Dat gaf hij ook aan mij. D-131 is de door mij opgestelde verklaring die ik thuis heb geprint. Ik maak van de brieven die ik verstuur altijd een kopie voor mijzelf.
5.Het zevende middel
NJ2017/440 m.nt. T. Kooijmans, overwogen dat de rechter voordat hij uitspraak doet, “zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces” (rov. 3.9). Hoewel ik mij realiseer dat in meer recente (post-Keskin) arresten over ontlastende getuigen deze overweging niet terugkeert, [21] meen ik dat vanuit Straatsburgs perspectief wel veel is te zeggen voor een dergelijke benadering en voor een rechterlijke overweging die daarin inzicht geeft. Ik denk in dit verband in het bijzonder aan de derde stap uit het arrest Murtazaliyeva. Die stap past bij de verantwoordelijkheid van de zittingsrechter voor de volledigheid van het onderzoek. [22]
ontvangstvan de éénregelige e-mail – grotendeels ook volgen uit andere door het hof gebruikte bewijsmiddelen. [23] De éénregelige e-mail is in de bewijsvoering van het hof van zeer ondergeschikte betekenis. Zo heeft het hof de verklaring van [betrokkene 1] enkel als bewijsmiddel opgenomen “in aanvulling op de al opgenomen bewijsmiddelen”. Ook zonder bewijsmiddel 6 is de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten zonder meer toereikend belegd. Dat de betaling van € 1.000.000 was bedoeld om de verdachte de overname van de aandelen van [C] B.V. door [D ] te faciliteren, volgt ook uit andere, door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder de aantekeningen van [medeverdachte] over het gesprek tussen verdachte en [medeverdachte] op 14 februari 2006. Voor hetgeen het hof in dit verband heeft overwogen verwijs ik kortheidshalve naar de in randnr. 3.3 geciteerde bewijsoverwegingen van het hof, in het bijzonder onder “
1.3 Verband betaling (beloning) en het handelen of nalaten door [verdachte] ”.