Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
als bedoeld in art. 38e, eerste lid, Sr en art. 359, zevende lid, Sv.
(pagina 12)
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
21 juni 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor een ernstig verkeersongeval waarbij hij met hoge snelheid en zonder geldig rijbewijs reed, een rood licht negeerde en gevaarlijk inhaalde, resulterend in zwaar lichamelijk letsel bij een slachtoffer. Het hof legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op en een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege.
De Hoge Raad beoordeelde het oordeel van het hof dat de TBS-maatregel terecht werd opgelegd ter zake van een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, en oordeelde dat dit oordeel niet onbegrijpelijk of onjuist was. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en bepaalde deze op elf maanden en een week. Het beroep werd voor het overige verworpen. De motivering van het hof omtrent de TBS-maatregel en de ernst van het delict werd bevestigd.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden en een week, TBS met verpleging blijft gehandhaafd.