Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, het beroep op noodweer en het beroep op putatief noodweer heeft verworpen.
(i) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 januari 2014 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
Daarnaast heeft de verdachte op de voornoemde terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [slachtoffer] “gelijk helemaal gek” werd, dat de verdachte is weg gelopen, dat [slachtoffer] met zijn hand in zijn zak achter hem aan kwam en dat [slachtoffer] “stop of ik steek je neer” tegen de verdachte heeft gezegd.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en heeft bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.
NJ2015/282 m.nt. Myjer) tot uitgangspunt dat het hof in navolging van de rechtbank niet zou hebben vastgesteld dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Dit uitgangspunt berust op een verkeerde lezing van de motivering die het hof heeft gegeven aan zijn last tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging en mist daardoor feitelijke grondslag. In zijn hiervoor onder 16 weergegeven overwegingen heeft het hof immers geoordeeld dat in voldoende mate aannemelijk is dat bij de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en dat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging eisen. Het hof heeft daarbij onder meer de beschouwingen en de conclusies van twee gedragsdeskundigen, die het hof tot de zijne heeft gemaakt, in aanmerking genomen.