Conclusie
4.Het eerste middel
1. De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:
1°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet, en
2°. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
5.Het tweede middel
obiter dictumzijnde, daarom buiten beschouwing kunnen blijven. Die rubricering sluit echter niet uit dat de Hoge Raad daarover toch een uitspraak zou kunnen (en willen) doen. Het - ten overvloede gegeven – positieve antwoord van het hof op de aangeroerde kwestie van het geweldsmisdrijf roept immers vragen op over de mogelijke duur van de maatregel na omzetting en de voorzienbaarheid daarvan voor de verdachte.
[h]et gaat niet meer om alleen de bescherming van de afgebeelde persoon, maar in zijn algemeenheid om bescherming van de lichamelijke en seksuele integriteit en het seksuele zelfbeschikkingsrecht van het kind.” [13] Hierbij is van belang dat iedere profiteur van kindermisbruik ook strafwaardig is. Immers, aldus Hofstee, het bezit roept de kans op nieuw misbruik in het leven, ook wel markttheorie genoemd. Niettegenstaande het voorgaande concludeert hij echter dat, met verwijzing naar de wetsystematiek en art. 38e Sr, niet uit iedere overtreding van art. 240b Sr volgt dat sprake is een misdrijf als bedoeld in art. 14b lid 2 Sr. De gedragingen die in art. 240b Sr strafbaar zijn gesteld kunnen, (onder meer) gezien de visie van de wetgever [14] en de uitwerking in de straftoemetingsrichtlijnen, [15] niet op één lijn worden gesteld. Met name wat betreft de bezitter van kinderporno is, hoewel deze verwijtbaar bijdraagt aan het in stand houden van de markt, niet gegeven dat deze een misdrijf pleegt dat rechtstreeks gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. [16]
6.Het derde middel
(…)