ECLI:NL:HR:2016:2017

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2016
Publicatiedatum
2 september 2016
Zaaknummer
14/01472
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 392 RvArt. 393 lid 9 RvArt. 393 lid 10 RvArt. 4:67 WftArt. 6 BBA
Verwijzingen
12 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad ziet af van beantwoording prejudiciële vraag over vrije advocaatkeuze bij ontslagprocedure UWV

In deze prejudiciële procedure stelde de voorzieningenrechter in Amsterdam een vraag aan de Hoge Raad over de uitleg van het begrip 'administratieve procedure' in artikel 4:67 Wft Pro, in relatie tot de ontslagprocedure bij het UWV op grond van artikel 6 BBA Pro. De Hoge Raad verwees deze vraag door naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) voor een prejudiciële beslissing.

Het HvJEU oordeelde dat het begrip 'administratieve procedure' in de richtlijn 87/344/EEG mede procedures omvat waarbij een bestuursorgaan de werkgever toestemming verleent om de werknemer te ontslaan. Na deze uitspraak bereikten partijen een schikking, waarna de Hoge Raad besloot af te zien van beantwoording van de prejudiciële vraag.

De Hoge Raad benadrukte dat het niet passend is om de vraag alsnog zelf te beantwoorden, mede omdat de zaak in een vergevorderd stadium was en het algemene belang bij beantwoording door het HvJEU lag. Een kostenbegroting werd achterwege gelaten. De beslissing werd genomen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vraag na schikking tussen partijen.

Uitspraak

2 september 2016
Eerste Kamer
14/01472
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER in eerste aanleg,
advocaat in de prejudiciële procedure:
mr. K.T.B. Salomons,
t e g e n
DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
GEDAAGDE in eerste aanleg,
advocaat in de prejudiciële procedure:
mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en DAS.

1.Het verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. het tussenvonnis in de zaak C/13/558839/KG ZA 14-184 MvW/SvE van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2014, waarin de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad is gesteld:
“Wat wordt verstaan onder het begrip ‘gerechtelijke of administratieve procedure’ als bedoeld in artikel 4:67 Wft Pro en valt de procedure bij het UWV, die volgt op een verzoek van een werkgever om toestemming te verlenen voor opzegging van een arbeidsverhouding (ex artikel 6 BBA Pro), onder dit begrip?”
b. de tussenbeslissing van de Hoge Raad in deze zaak van 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2901, NJ 2014/428 (hierna: de tussenbeslissing);
c. het arrest in de zaak C-460/14 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 7 april 2016, ECLI:EU:C:2016:216 (hierna: het prejudiciële arrest).
De hiervoor genoemde uitspraken zijn aan deze beslissing gehecht.

2.Het verdere verloop van het geding

2.1
Bij brief van 21 juli 2016 heeft de advocaat van DAS de Hoge Raad medegedeeld dat partijen een schikking hebben bereikt en dat in verband hiermee op 18 juli 2016 het kort geding dat heeft geleid tot het stellen van de voorliggende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad, op gezamenlijk verzoek van partijen is doorgehaald. Gelet hierop heeft DAS de Hoge Raad in overweging gegeven om af te zien van beantwoording van de prejudiciële vraag.
2.2
Bij brief van 22 juli 2016 heeft de advocaat van [eiser] de Hoge Raad medegedeeld dat de prejudiciële procedure kan worden doorgehaald.
2.3
In zijn nadere conclusie heeft de Advocaat-Generaal J. Spier geconcludeerd dat de Hoge Raad zal afzien van beantwoording van de prejudiciële vraag.
2.4
Bij brief van 28 juli 2016 heeft de rechtbank Amsterdam te kennen gegeven dat er een algemeen belang bestaat bij beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag, nu een dergelijke kwestie zich ook in de toekomst kan voordoen. Voorts wijst de brief erop dat de zaak zich in een vergevorderd stadium bevindt.
3. Beantwoording van de prejudiciële vraag
3.1
In zijn tussenbeslissing heeft de Hoge Raad overwogen dat hij het voor de beantwoording van de door de voorzieningenrechter op de voet van art. 392 Rv Pro aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vraag nodig acht dat het HvJEU de volgende vragen van uitleg van Unierecht beantwoordt:
“1. Dient het begrip “administratieve procedure” in art. 4 lid Pro 1, aanhef en onder a, van Richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering, aldus te worden uitgelegd dat daaronder is begrepen de procedure bij het UWV, waarin de werkgever verzoekt om een ontslagvergunning teneinde te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de (voor rechtsbijstand verzekerde) werknemer?
2. Indien het antwoord op vraag 1 afhangt van de kenmerken van de specifieke procedure, zo nodig in samenhang met de feiten en omstandigheden van het geval, aan de hand van welke kenmerken, feiten en omstandigheden dient de nationale rechter dan te bepalen of die procedure dient te worden aangemerkt als een administratieve procedure als bedoeld in art. 4 lid Pro 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn?”
3.2
De Hoge Raad heeft iedere verdere beslissing aangehouden en het geding geschorst tot het HvJEU uitspraak zal hebben gedaan naar aanleiding van het verzoek met betrekking tot de hiervoor in 3.1 bedoelde vragen.
3.3
In het prejudiciële arrest heeft het HvJEU als volgt voor recht verklaard:
“Artikel 4, lid 1, onder a), van richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering, moet aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling bedoelde begrip „administratieve procedure” mede omvat een procedure die ertoe leidt dat een bestuursorgaan de werkgever vergunning verleent, de voor rechtsbijstand verzekerde werknemer te ontslaan.”
3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1-2.2 is vermeld, is het antwoord op de door de voorzieningenrechter gestelde prejudiciële vraag niet meer nodig om op de eis van [eiser] te beslissen, een en ander als bedoeld in art. 392 lid 1 Rv Pro. Het komt de Hoge Raad niet geraden voor de prejudiciële vraag desondanks op de voet van art. 393 lid 9 Rv Pro ook nog zelf te beantwoorden.
Op grond van het vorenstaande kan een kostenbegroting op de voet van art. 393 lid 10 Rv Pro achterwege blijven.

4.Beslissing

De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vraag.
Deze prejudiciële beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
2 september 2016.