Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beoordeling van de overige middelen
6.Beslissing
9 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor uitlokking. Verdachte had via een ambtenaar van de Belastingdienst geheime financiële en persoonlijke gegevens van diverse personen verkregen. Het hof oordeelde dat het verstrekken van deze gegevens aan verdachte als het verschaffen van inlichtingen in de zin van art. 47, eerste lid onder 2, Sr kon worden aangemerkt, en dat verdachte daarmee uitlokking had gepleegd.
De verdediging voerde aan dat het enkele verzoek om informatie onvoldoende was voor uitlokking en dat er geen sprake was van een psychische omslag bij de ambtenaar. Het hof stelde echter dat de mededelingen van feitelijke aard die geschikt zijn om het delict te bewerkstelligen, als inlichtingen gelden. Ook een algemene bereidheid van de ambtenaar om informatie te verstrekken stond aan uitlokking niet in de weg.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en zijn oordeel niet onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt uitlokking door verschaffen van inlichtingen.