Conclusie
Nummer20/00124
Het cassatieberoep
De zaak
De rol van de verdachte
De middelen
eerste middelhoudt in dat het hof ten onrechte heeft toegestaan dat personen het spreekrecht hebben uitgeoefend, terwijl zij niet kunnen worden aangemerkt als slachtoffers in de zin van art. 51e Sv.
raadsmanvraagt het woord en verklaart:
advocaat-generaalmr. Schepers verklaart:
raadsmanreageert:
NJ2016/335 overwogen dat de opvatting dat aan het vereiste dat een betrokken benadeelde rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv, uitsluitend is voldaan in die gevallen waarin deze benadeelde is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd, in haar algemeenheid onjuist is. Voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. De strekking van de strafbepaling waarop de bewezenverklaring is geënt, is dus niet maatgevend. [5] Aangenomen kan worden dat deze uitleg ook geldt voor de beoordeling of een persoon als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv. Daarbij komt het volgende. Art. 162 Sr Pro strekt tot bescherming van de veiligheid van lucht-, water-, en wegverkeer. Daarin ligt besloten dat de bepaling ook strekt tot bescherming van de individuele verkeersdeelnemers, in dit geval de inzittenden van de bussen. [6] Ook op die grond kan de klacht niet slagen.
tweede middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof naar aanleiding van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde in verband met schending van het vertrouwensbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.
Formele verweren
derde middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte (tezamen en in vereniging met een ander) heeft opgeruid tot de in de bewezenverklaring van feit 1 genoemde strafbare feiten van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of niet begrijpelijk is.
verjagen. Het hof neemt – zoals hierboven overwogen – van de raadsman aan dat de oorspronkelijke Friese tekst inhoudende het woord ‘ferjeien’ vertaald had moeten worden met ‘verjagen’. Dit maakt het oordeel van het hof echter niet anders. Ook als wordt uitgegaan van de oorspronkelijke Friese tekst, houdt de oproep hoe dan ook een aanmoediging in om met het gebruik van voertuigen te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum aankomen. Dat is de kern van de oproep.
plegenvan een strafbaar feit, maar ook op het deelnemen daaraan. [29] Voor de geldigheid van de dagvaarding die een op art. 131, eerste lid, Sr toegesneden tenlastelegging behelst, is niet vereist dat in die tenlastelegging het strafbare feit waartoe is opgeruid specifiek wordt aangeduid. [30] Ingeval het openbaar ministerie ervoor kiest niet ten laste te leggen tot welk strafbaar feit de uitingen van de verdachte opruien, is de rechter evenmin gehouden dit strafbare feit aan te wijzen. Voldoende is dat hij vaststelt dat de handelingen waartoe de verdachte aanspoorde, indien uitgevoerd,
enigstrafbaar feit opleveren. [31]
vierde middelkomt op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde en bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat van het door de verdachte uitgelokte medeplegen van het opzettelijk versperren van de openbare landweg A7, “gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten” was, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de inhoud en de reikwijdte van de strafbaarstelling van art. 162 Sr Pro en/of onbegrijpelijk is.
NJ1980/300, m.nt. Van Veen dienovereenkomstig uit de tekst, rubricering en geschiedenis van die bepaling afgeleid dat in de zin van die bepaling aanmerkelijk gevaar voor de gezondheid te duchten was indien ten tijde van het ‘ongewoon voorval’ in redelijkheid moet worden geoordeeld dat een aanzienlijke kans bestaat dat het ‘ongewoon voorval’ tot aanmerkelijk gevaar als bedoeld in die bepaling zal leiden. In HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1368,
NJ2020/342 overwoog de Hoge Raad ten aanzien van art. 173b, onder 1°, Sr dat gevaar ook te duchten kan zijn geweest “in gevallen waarin niet of nog niet kon worden vastgesteld dat het gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, maar waarin wel een reële kans bestond op die verwezenlijking.”
menop het ogenblik van de delictsgedraging gevaar kon voorzien. [48] Hij verzette zich evenwel tegen het voorstel van de Commissie van Rapporteurs om ook te verlangen dat het gevaar voor de verdachte voorzienbaar moet zijn geweest. Tijdens de behandeling van een door de Commissie van Rapporteurs voorgesteld amendement van die strekking merkte de minister op:
ex post facto,als men alle omstandigheden kent, kunne zeggen: daar was van den aanvang af gevaar. Neen, er wordt geëischt dat er op het oogenblik van de daad, met de kennis welke men
toenhad, reeds gevaar te duchten was. Wanneer nu dat gevaar in het algemeen, door “men” te duchten was, laat het zich dan denken dat toch de dader dat gevaar niet had
moetenvoorzien?” [49]
NJ1966/395, m.nt. Pompe overwogen dat het uit de delictshandeling “voortvloeiend gevaar in het algemeen voorzienbaar moet zijn in verband met die handeling, doch niet ook in het bijzonder voor de dader voorzienbaar behoeft te zijn.” Volgens de huidige vaste rechtspraak van de Hoge Raad inzake – onder meer [50] – art. 157 Sr Pro moet om in rechte het te duchten gevaar als vaststaand te kunnen aannemen uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgen dat zodanig gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het gevaar ten tijde van de delictsgedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. [51] De omstandigheid dat de verdachte het gevaar
zelfwellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang. [52]
concretegevaarzettingsdelicten moeten worden gekarakteriseerd. [60] Voor een op art. 162, aanhef en onder 1°, Sr toegesneden bewezenverklaring en kwalificatie is aldus vereist dat ten tijde van de delictsgedraging van die gedraging daadwerkelijk gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was, hetgeen betekent dat het gevaar op dat moment naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. De beantwoording van de vraag of dat het geval is, vindt plaats in het licht van de omstandigheden van het geval.
vijfde middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte het in de bewezenverklaring van feit 2 subsidiair omschreven feit “opzettelijk heeft uitgelokt”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
zesde middelis gericht tegen de bewezenverklaring van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde en komt op tegen het oordeel van het hof dat hetgeen waartoe de verdachte heeft uitgelokt het medeplegen van het door geweld of bedreiging met geweld verhinderen van een geoorloofde betoging in de zin van art. 143 Sr Pro oplevert. Dat oordeel zou in het bijzonder wat de delictsbestanddelen “door (…) bedreiging met geweld” betreft, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn.
NJ2005/61 m.nt. Buruma en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717,
NJ2011/285. In beide zaken kwam de vraag op of de vrees voor fysieke aanranding redelijkerwijs ook het oplopen van zwaar lichamelijk letsel betrof. In de eerstgenoemde zaak ging het om een verdachte die zwaaiend met gebalde vuisten op een fietser afrende, daarbij schreeuwde dat zij moest ‘opdonderen’ en zijn woorden kracht bijzette door – toen hij haar dicht genaderd was – slaande bewegingen in de richting van haar hoofd te maken. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de gedragingen voldoende dreigend waren om bij het slachtoffer de redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel te doen ontstaan niet onbegrijpelijk. In de tweede zaak, waarin de Hoge Raad op 14 juni 2011 uitspraak deed, liep de verdachte op het slachtoffer toe, kwam hij heel dichtbij het slachtoffer staan, hief hij zijn arm, en balde hij zijn vuist, waarbij hij riep: ‘Loslaten’. De Hoge Raad achtte in die zaak het oordeel van het hof dat de gedragingen en uitlating van de verdachte bedreiging met zware mishandeling opleveren niet begrijpelijk.
bedreigingmet het brengen in staat van bewusteloosheid of onmacht. [76] De wetsgeschiedenis biedt weinig houvast om tot een nadere omschrijving van het bestanddeel ‘geweld’ te komen. In de rechtspraak van de Hoge Raad is ‘geweld’ evenmin gedefinieerd. Lindenberg merkt op dat dit begrip in de rechtspraak in de regel wordt uitgelegd als een hardhandige gedraging.” [77] Andere auteurs gaan in hun definities uit van een – in beginsel – fysieke kracht die “van een niet al te geringe intensiteit” [78] is of die “met zo’n hevigheid geschiedt dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen”. [79]
zevende middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte het in de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair omschreven feit “opzettelijk heeft uitgelokt”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
achtste middelis gericht tegen de bewezenverklaring van feit 4 subsidiair en komt op tegen het oordeel van het hof dat hetgeen waartoe de verdachte heeft uitgelokt (het medeplegen van) het door bedreiging met geweld dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden in de zin van art. 284 Sr Pro oplevert.
negende middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte tot het in de bewezenverklaring van feit 4 subsidiair omschreven feit “opzettelijk heeft uitgelokt”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
tiende middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de door de verdachte uitgelokte feiten die zijn vermeld in de bewezenverklaringen van feit 2 subsidiair, feit 3 subsidiair en feit 4 subsidiair tezamen en in vereniging zijn begaan, gelet op de in de rechtspraak van de Hoge Raad aan de kwalificatie medeplegen gestelde eisen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet begrijpelijk is.