Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
zetelende te ’s-Gravenhage,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
oktober 2016.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een kort geding over de voorgenomen strafrechtelijke ontruiming van een kraakpand waarin uitgeprocedeerde asielzoekers verblijven. De eisers stelden dat de bed-bad-broodregeling onvoldoende was als alternatief voor ontruiming. De procedure begon bij de voorzieningenrechter te Amsterdam, gevolgd door een arrest van het gerechtshof Amsterdam.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat de klachten van de eisers niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere rechtspraak dat bij ontruimingen een proportionaliteitstoets dient plaats te vinden, mede op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde de eisers in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de toetsing van ontruimingen en de rechten van uitgeprocedeerde asielzoekers, waarbij het belang van een passend alternatief wordt meegewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de voorgenomen ontruiming met toepassing van de proportionaliteitstoets.