Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Juridisch kader
nietbehoren tot een verdragsrechtelijk beschermde categorie van ‘kwetsbare personen’, erkenning te krijgen voor een aanspraak op onderdak, onderscheidenlijk voor een aanspraak op leefgeld dan wel levensonderhoud in natura. In de bestuursrechtspraak gaat het dan veelal om de vraag of een voorziening moet worden verstrekt door de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of door het Rijk op grond van verdragsbepalingen over sociale grondrechten.
the persons concerned by the complaint undeniably find themselves at risk of serious irrepairable harm to their lifes and human dignity when excluded from access to shelter, food and clothing. Pursuant to established case law under the reporting procedure, access to food, water, as well as to such basic amenities as a safe place to sleep and clothes fulfilling the minimum requirements for survival in the prevailing weatherconditions are necessary for the basic subsistence of any human being.’ Het Comité van Ministers deed aan Nederland de aanbeveling om te rapporteren over de ontwikkelingen op het gebied van opvang van onrechtmatig verblijvende vreemdelingen. [17]
‘het feit dat deze bepalingen zich niet lenen voor rechtstreekse toepassing door de rechter laat onverlet dat de verdragsluitende partijen gehouden zijn de in deze bepalingen vervatte verplichtingen na te komen (…). De beslissingen van het ESH zijn gezaghebbend. Zowel aan de bepalingen van het ESH als aan deze beslissingen van het ESCR over de uitleg van het ESH kan interpretatieve waarde toekomen bij de uitleg van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.’ [21]
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
nietinhumaan zou zijn; (b) het argument van de Staat dat in het vonnis van de voorzieningenrechter een discrepantie bestaat tussen de vaststelling dat de situatie van eisers ‘uitzichtloos’ is en, anderzijds, de beslissing om de ontruiming voor een beperkte tijd te verbieden; (c) het argument van de Staat dat de door eisers aangevoerde ‘winterse omstandigheden’ geen geldige reden zijn om de voorgenomen ontruiming te verbieden.