Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 oktober 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een veroordeling van verdachte wegens witwassen van een geldbedrag van circa €14.000,- dat bij hem werd aangetroffen tijdens een douanecontrole op Schiphol. Naast contant geld werden skimbenodigdheden gevonden, waaronder apparatuur en gegevens die verband houden met skimmingpraktijken.
Het hof had vastgesteld dat verdachte het geld bij zich had terwijl hij wist dat het (onmiddellijk of middellijk) uit enig misdrijf afkomstig was. Verdachte gaf tegenstrijdige verklaringen over de herkomst van het geld, zonder concrete of verifieerbare onderbouwing. Het hof achtte daarom het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd.
In cassatie voerde verdachte aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat het geld direct uit eigen misdrijf afkomstig was, zoals vereist volgens eerdere rechtspraak. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht niet aannam dat het geld onmiddellijk uit eigen misdrijf kwam, en dat de strengere motiveringseisen voor direct eigen misdrijf niet van toepassing waren.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde als witwassen kon worden gekwalificeerd. De zaak werd terugverwezen voor hernieuwde behandeling van de strafoplegging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat verdachte zich schuldig maakte aan witwassen en wijst het cassatieberoep af.