‘
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde witwassen. De verdediging meent dat er geen sprake is van een situatie dat het niet anders kan zijn dan dat op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig is, gelet op de uitgebreide verklaring van verdachte over de legale herkomst van het geld. De verdediging heeft aangevoerd dat de vader van verdachte ter terechtzitting van het hof heeft bevestigd dat verdachte een contant bedrag van zijn oma heeft ontvangen vlak voor haar overlijden. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting van het hof een uitleg heeft gegeven over wat hij precies heeft gedaan met de Bitcoins, dat het lastig is om een en ander te bevestigen nu de ledger wallet waar de nodige informatie op stond niet meer beschikbaar is en dat de handel in Bitcoins zich toen in ieder geval nog grotendeels afspeelde in de anonimiteit waardoor exacte aankoop- en verkoopmomenten niet meer te achterhalen zijn. De verdediging stelt dat er bovendien geen enkele aanwijzing bestaat dat het geld afkomstig is uit een misdrijf.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Witwassen
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf', is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp, in onderhavige zaak het geldbedrag, afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit
enigmisdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf', kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Beoordeling feiten en omstandigheden
Op 6 april 2018 heeft een doorzoeking in de (vakantie)woning van verdachte te [plaats] plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking is een aanzienlijk geldbedrag, te weten in totaal € 94.210,-, aangetroffen in brandblussers, in een hoes/speeltunnel voor katten achter de bank en in een broekzak van een korte broek die op de grond lag. Tijdens deze doorzoeking zijn tevens hoeveelheden cocaïne, amfetamine en hennep alsmede een vuurwapen aangetroffen. Uit het verhoor van verdachte bij de politie van 8 april 2018 om 10.07 uur blijkt dat verdachte op dat moment een uitkering ontving en hij het (financieel) niet breed had.
Het hof is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden waaronder het aanzienlijke geldbedrag is aangetroffen, een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Op dat moment mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
Verdachte heeft zich bij de politie in dit kader aanvankelijk (begin april 2018) op zijn zwijgrecht beroepen, volgens eigen zeggen op advies van zijn toenmalige advocaat.
Op 4 juli 2018 stuurde de nieuwe raadsvrouw van verdachte een e-mailbericht van ‘ [betrokkene 1] ’ (het hof begrijpt: getuige [betrokkene 1] ) door naar het openbaar ministerie, inhoudende onder meer de volgende informatie. Verdachte zou op 21 december 2016 6 Bitcoins met een totale waarde van
€5.000,- hebben gekocht bij [betrokkene 1] . Deze zouden zijn bewaard in een ledger wallet die in bezit van verdachte was. Op 15 december 201 7 heeft [betrokkene 1] verdachte aangeraden de Bitcoins met spoed te verkopen. Uiteindelijk hebben zij besloten de Bitcoins te verkopen via legitieme Nederlandse bedrijven. Ook heeft een aantal transacties plaatsgevonden via Bitcoin-automaten in Amsterdam. Een en ander gebeurde in een kort tijdsbestek van ongeveer twee tot drie dagen. [betrokkene 1] schrijft dat verdachte dit geld cash in handen heeft gekregen en dat hij er zelf ook een leuk bedrag voor zou krijgen.
Op 25 juli 2018 heeft verdachte een inhoudelijke verklaring met betrekking tot de herkomst van het geld afgelegd. Volgens verdachte zou hij - kort samengevat - in december 2016 € 7.000,- contant geld van zijn oma hebben ontvangen. Van dat geld zou hij vervolgens, ook in december 2016, een bedrag van € 5.000,- via een goede vriend van hem, [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ), in Bitcoins hebben geïnvesteerd. Na de aankoop stonden de Bitcoins op de ledger. Verdachte kon geen exacte informatie over de aan- en verkoopbedragen geven. Verdachte verklaarde dat de verkoop van de Bitcoins bij een bedrijf heeft plaatsgevonden, dat de uitbetaling in december is geweest en dat hij het geld in januari heeft ontvangen.
Het hof merkt deze verklaring van verdachte in beginsel aan als een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring. Op dat moment lag het op de weg van het openbaar ministerie om deze verklaring van verdachte te verifiëren.
Op 26 juli 2018 is [betrokkene 1] door de politie gehoord als getuige. Hij verklaarde het volgende. In december 2016 heeft hij via een automaat Bitcoins gekocht (het hof begrijpt: voor verdachte) en die op een ledger gezet. In december 2017 heeft een uitbetaling plaatsgevonden. Exacte data van aankoop en uitbetaling heeft [betrokkene 1] niet. De aankoop van de Bitcoins is via automaten gegaan. Later verklaarde [betrokkene 1] dat de aankoop van de Bitcoins via een automaat in een casino in Amsterdam gegaan. Hij heeft de Bitcoins vanuit de automaat rechtstreeks op een ledger wallet gestort, die hij, [betrokkene 1] , zelf had aangekocht. Hij heeft de pincode van de ledger wel, maar weet de 24 woorden om de wallet te herstellen, niet.
[betrokkene 1] verklaarde dat het de bedoeling was dat hij zelf ook wat zou krijgen.
[betrokkene 1] bevestigde dat in de blockchain te zien is dat er een jaar lang (het hof begrijpt: tussen het moment van aankoop en van verkoop) niks is gebeurd met de Bitcoins. Voor de verkoop van de Bitcoins heeft hij, [betrokkene 1] , contact gezocht met het bedrijf BGST BV. Hij heeft een afspraak gemaakt op kantoor. Vanaf de ledger heeft hij de Bitcoins naar BGST gestuurd en er contanten voor teruggekregen. [betrokkene 1] wist niet meer hoeveel. Een ander deel is door automaten in Amersfoort en Amsterdam uitbetaald. In december 2017 heeft hij in Groningen het geld rechtstreeks aan verdachte gegeven, misschien een dag later. Hij heeft het geld nooit bewaard. Het geld was al gebundeld door de BGST-medewerker toen [betrokkene 1] het ontving, zo begrijpt het hof. Hij heeft de elastiekjes die het geld bundelen, niet in handen gehad.
[betrokkene 1] verklaarde dat hij de aan- en verkoopdata van de Bitcoins niet precies wist en dat de eerdere data die hij in zijn e-mail had genoemd, niet de exacte data zijn. Hij zou deze gegevens kunnen achterhalen via het bedrijf BGST. [betrokkene 1] heeft toegezegd dat hij de maandag volgend op het getuigenverhoor de volgende gegevens zou aanleveren: het aankoopbewijs van de ledger, een aankoop- en verkoopbewijs van BGST BV van de Bitcoins, de casino’s waar de Bitcoins zijn aangekocht en verkocht en voornoemde informatie inclusief alle data.
Op 1 augustus 2018, de woensdag na het getuigenverhoor van [betrokkene 1] , levert laatstgenoemde per e-mail een deel van de afgesproken informatie aan bij de politie, waaronder:
- de aanschafdatum van de ledger, zijnde 24 november 2017;
- de aanschaflocatie van de Bitcoins, zijnde een Bitcoin-automaat onder beheer van BGST BV op het adres [b-straat ] (het hof begrijpt: [b-straat 1] , [postcode] Amsterdam;
- de verkoopdatum, zijnde 15 december 2017;
- de verkooplocaties, zijnde het hoofdkantoor van BGST BV aan de [c-straat] te Amsterdam, een automaat aan het adres [b-straat ] (het hof begrijpt: [b-straat 1] , [postcode] Amsterdam en een automaat aan de [d-straat 1] , [postcode] Utrecht.
Naar aanleiding van voornoemde informatie en verklaringen heeft de politie nader onderzoek verricht. Uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] blijkt onder meer het volgende - kort samengevat:
1. een transactie van aankoop van 6 Bitcoins op 21 december 2016 naar één wallet en vervolgens een verkoop daarvan uit diezelfde wallet op 15 december 2017, zonder tussentijdse transacties op dat adres, heeft niet plaatsgevonden op de blockchain;
2. het is, gelet op de op dat moment bestaande koersen, onmogelijk geweest om in de periode na de opgegeven aanschafdatum van de ledger, 24 november 2017, tot en met de datum van verkoop van de Bitcoins, 15 december 2017, 6 Bitcoins aan te kopen voor een bedrag van € 5.000,-. Bovendien is het niet mogelijk geweest, gelet op de op dat moment bestaande koersen, om een bepaald aantal Bitcoins dat na 24 november 2017 ter waarde van € 5.000,- is aangekocht vervolgens op 15 december 2017 te verkopen met een verkoopopbrengst van omstreeks € 94.210,-;
3. [betrokkene 1] heeft de aankoop van de Bitcoins onmogelijk in 2016 kunnen verrichten via de Bitcoin-ATM op de locatie [b-straat ] te Amsterdam, gelet op de omstandigheid dat deze Bitcoin-ATM volgens een internetzoekslag pas sinds 12 november 2017 in werking is.
Het hof is van oordeel dat door het nader onderzoek van de politie, te weten het horen van getuige [betrokkene 1] en de daarop volgende analyse van verbalisant [verbalisant 2] , de verklaring van verdachte met betrekking tot de herkomst van het aangetroffen en ten laste gelegde geldbedrag van € 94.210,- niet verifieerbaar is gebleken.
Vervolgens heeft verdachte ter terechtzitting van de rechtbank een verklaring afgelegd. Verdachte heeft onder meer verklaard dat [betrokkene 1] in december had gecasht, dat hij, verdachte, het geld in januari heeft ontvangen, dat hij het geld niet in zijn kamer in Groningen wilde bewaren en daarom een vakantiehuisje in [plaats] had gehuurd en dat hij niet de beschikking had over wachtwoorden en gebruiksnummers.
In hoger beroep hebben verdachte, getuige [betrokkene 2] (de vader van verdachte) en getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2020 een verklaring afgelegd.
Verdachte verklaarde ter terechtzitting van het hof dat hij het geld eind december had ontvangen en dat hij eind februari uit Groningen naar het vakantiehuisje is vertrokken. Verdachte verklaarde het geld dus nog een tijd in Groningen te hebben gehad. In Groningen bewaarde hij het geld ook in brandblussers. Verdachte verklaarde enerzijds dat hij voornemens was om € 14.000,- aan [betrokkene 1] te geven en anderzijds dat hij had berekend om [betrokkene 1] 7 procent te geven als dank voor zijn hulp.
Getuige [betrokkene 2] , verdachtes vader, verklaarde ter terechtzitting van het hof dat verdachte een contant geldbedrag van zijn oma heeft ontvangen. Getuige verklaarde dat hij niks wist van het geldbedrag dat bij verdachte is aangetroffen.
Getuige [betrokkene 1] verklaarde ter terechtzitting van het hof onder meer dat hij € 7000,- van verdachte had ontvangen en daarvoor Bitcoins had gekocht. Later in het verhoor verklaarde [betrokkene 1] dat het ook een bedrag van € 3.000,- tot
€5.000,- kan zijn geweest. Hij verklaarde aanvankelijk de Bitcoins via diverse automaten en handelsplatformen te hebben aangekocht. Kort daarna verklaarde [betrokkene 1] de Bitcoins enkel via diverse automaten te hebben aangeschaft. [betrokkene 1] verklaarde dat hij de Bitcoins op een ledger wallet heeft gezet. Hij had de ledger wallet gekocht en direct gebruikt voor de Bitcoin-transacties. [betrokkene 1] verklaarde dat de in de e-mail genoemde aanschafdatum van de ledger wallet waarschijnlijk een typefout is geweest, dat die datum niet klopt. Hij heeft de ledger ingesteld en had wetenschap van de 24 woorden (het hof begrijpt: de 24 woorden voor herstel van de ledger). Die woorden had hij zelf bewaard, genoteerd en vervolgens aan verdachte overgedragen.
[betrokkene 1] bevestigde dat hij de ledger had gekocht, dat hij de Bitcoins had gekocht, dat hij de Bitcoins op de ledger had gezet en dat hij vanaf die ledger de Bitcoins weer heeft verkocht. In reactie op een vraag van de advocaat-generaal verklaarde [betrokkene 1] vervolgens dat het zou kunnen dat hij de Bitcoins eerst nog op een andere manier heeft opgeslagen, maar dat hij dat niet meer weet. Uiteindelijk is het bedrag op de wallet gestort, maar [betrokkene 1] wist niet of dat in één keer was gebeurd.
[betrokkene 1] verklaarde niet meer te weten hoeveel tijd er tussen de aankoop en verkoop van de Bitcoins had gelegen, het zou een jaar kunnen zijn geweest. Hij had de Bitcoins verkocht via diverse apparaten en Bitcoin-handelaren. [betrokkene 1] wist niet meer bij welk apparaat of welke persoon. Met de Bitcoin-handelaren spreekt je af op een openbare plaats zoals de McDonalds, zo gaat het altijd, aldus [betrokkene 1] . Hij verklaarde dat hij voor meerdere mensen Bitcoins had verkocht en dat alle ontvangen gelden op één stapel waren terechtgekomen. Vervolgens heeft hij op basis van het aantal Bitcoins dat verdachte had, gezorgd dat verdachte zijn geld heeft gekregen. [betrokkene 1] heeft het geld los, niet in bundels, in een plastic tasje aan verdachte gegeven. Hij weet niet meer in hoeveel delen hij het geld aan verdachte heeft gegeven.
[betrokkene 1] verklaarde voorts dat ze nog niet hadden afgesproken dat hij een bepaald percentage zou ontvangen van verdachte.
Op grond van bovenstaande neemt het hof van verdachte aan dat hij in 2016 een contant geldbedrag van € 7.000,- van zijn oma heeft ontvangen. Verdachtes verklaring wordt op dit punt in voldoende mate ondersteund door de verklaring van verdachtes vader.
Het hof overweegt vervolgens dat de door verdachte afgelegde verklaring met betrekking tot het resterend aangetroffen geldbedrag van
€87.210,- aan de hand van technische gegevens in het dossier niet is te verifiëren. Verdachte heeft bovendien geen nadere technische gegevens, zoals de gebruikte ledger, aangeleverd ter onderbouwing en verificatie van zijn verklaring. Voorts hebben de gehoorde getuigen ter terechtzitting van het hof de verklaring van verdachte omtrent de herkomst van voornoemd geldbedrag niet in voldoende mate ondersteund.
Het hof constateert dat de verklaringen van verdachte en getuige [betrokkene 1] op essentiële onderdelen niet overeenstemmen, te weten met betrekking tot de wijze van verkoop van de Bitcoins en het moment van overdracht van het uitgekeerde geld aan verdachte.
Het hof constateert voorts dat de verklaringen van getuige [betrokkene 1] op essentiële onderdelen innerlijk tegenstrijdig zijn, te weten met betrekking tot het moment en de wijze/locatie(s) van de aankoop van de Bitcoins, de wijze/locatie(s) van de verkoop van de Bitcoins alsmede de overdracht van het uitgekeerde geld aan verdachte.
Concluderend brengt het voorgaande mee dat verdachtes verklaring voor het onder hem aangetroffen geldbedrag voor wat betreft € 87.210,- onvoldoende duidelijk is en op essentiële onderdelen tegenstrijdig is met de verklaringen die door getuige [betrokkene 1] zijn afgelegd. Voorts vindt de verklaring van verdachte geen, althans in onvoldoende mate, op andere wijze ondersteuning in het dossier, waardoor deze verklaring niet kan worden aangenomen als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geld.
Gelet op het gerechtvaardigde vermoeden van witwassen en het ontbreken van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van verdachte voor de herkomst van het aangetroffen geld, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het resterende geldbedrag van € 87.210,- van misdrijf afkomstig is en dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van dit geldbedrag.’