Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
als verklaring van verbalisant [verbalisant 1]:
(het hof begrijpt: € 94.210,--, gelet op de inhoud van het proces-verbaal van bevinding over de geldtelling, dat hierna als bewijsmiddel 2 en op pagina 46 van het dossier is opgenomen).(...)
als verklaring van verbalisant [verbalisant 1]:
als verklaring van verdachte:
als verklaring van verbalisant [verbalisant 2]:
Standpunt verdediging
enigmisdrijf.
€5.000,- hebben gekocht bij [betrokkene 1] . Deze zouden zijn bewaard in een ledger wallet die in bezit van verdachte was. Op 15 december 201 7 heeft [betrokkene 1] verdachte aangeraden de Bitcoins met spoed te verkopen. Uiteindelijk hebben zij besloten de Bitcoins te verkopen via legitieme Nederlandse bedrijven. Ook heeft een aantal transacties plaatsgevonden via Bitcoin-automaten in Amsterdam. Een en ander gebeurde in een kort tijdsbestek van ongeveer twee tot drie dagen. [betrokkene 1] schrijft dat verdachte dit geld cash in handen heeft gekregen en dat hij er zelf ook een leuk bedrag voor zou krijgen.
€5.000,- kan zijn geweest. Hij verklaarde aanvankelijk de Bitcoins via diverse automaten en handelsplatformen te hebben aangekocht. Kort daarna verklaarde [betrokkene 1] de Bitcoins enkel via diverse automaten te hebben aangeschaft. [betrokkene 1] verklaarde dat hij de Bitcoins op een ledger wallet heeft gezet. Hij had de ledger wallet gekocht en direct gebruikt voor de Bitcoin-transacties. [betrokkene 1] verklaarde dat de in de e-mail genoemde aanschafdatum van de ledger wallet waarschijnlijk een typefout is geweest, dat die datum niet klopt. Hij heeft de ledger ingesteld en had wetenschap van de 24 woorden (het hof begrijpt: de 24 woorden voor herstel van de ledger). Die woorden had hij zelf bewaard, genoteerd en vervolgens aan verdachte overgedragen.
€87.210,- aan de hand van technische gegevens in het dossier niet is te verifiëren. Verdachte heeft bovendien geen nadere technische gegevens, zoals de gebruikte ledger, aangeleverd ter onderbouwing en verificatie van zijn verklaring. Voorts hebben de gehoorde getuigen ter terechtzitting van het hof de verklaring van verdachte omtrent de herkomst van voornoemd geldbedrag niet in voldoende mate ondersteund.
eerstemiddel bevat de klacht dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte van een voorwerp – te weten een (grote) hoeveelheid geld – de herkomst heeft verborgen en/of verhuld niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat voor een bewezenverklaring van de in art. 420bis, eerste lid, onder a, Sr bedoelde handelingen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ van de herkomst van een voorwerp volstaat dat dit voorwerp op een ongebruikelijke plaats is aangetroffen, zou dit oordeel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. In de toelichting op het middel wordt daaraan toegevoegd dat een nadere bewijsoverweging omtrent het verhullen en/of verbergen van de herkomst van een hoeveelheid geld niet in het arrest te vinden is. Uit de bewijsvoering zou niet meer kunnen worden afgeleid dan dat geldbedragen in een bij de verdachte in gebruik zijnde vakantiewoning zijn aangetroffen op ongebruikelijke plaatsen.
NJ2014/63, waar ook de steller van het middel op wijst, was het middel dat over de bewezenverklaring van het ‘verhullen’ van het geldbedrag klaagde terecht voorgesteld nu ‘uit de gebezigde bewijsvoering niet méér kan worden afgeleid dan dat in de auto een plastic tas met geld is aangetroffen’. In HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687 slaagde een klacht inzake het bewezenverklaarde ‘verbergen’ van de herkomst omdat ‘uit de gebezigde bewijsvoering niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld is aangetroffen’. En in HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:553,
NJ2016/385 m.nt. Keulen overwoog Uw Raad ten aanzien van het bewezenverklaarde ‘verbergen of verhullen’ van de herkomst dat ‘uit de gebezigde bewijsmiddelen niet méér kan worden afgeleid dan dat op een ongebruikelijke plaats in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld verpakt in een sealbag, die zich bevond in een tas, is aangetroffen’. [2]
NJ2018/481. Daarin was onder meer bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander van geldbedragen de herkomst had verhuld. Uw Raad gaf vaststellingen van het hof inzake overboekingen, contante opnames en stortingen van geldbedragen weer en overwoog dat ’s hofs oordeel ‘dat dit complex van betalingen en andere financiële transacties erop was gericht de herkomst van de (…) betaalde geldbedragen te verhullen en daartoe ook geschikt was’ niet onbegrijpelijk was.
tweedemiddel. Dat bevat de klacht dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het middel valt in twee deelklachten uiteen.
eerstedeelklacht houdt in, zo begrijp ik, dat de rechter die de verklaring die de verdachte voor de herkomst van het geld als (in beginsel) concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk heeft aangemerkt, mede op basis van de resultaten van het onderzoek naar aanleiding van die verklaring moet beoordelen of ondanks die verklaring witwassen bewezen kan worden. En dat die rechter in zijn overwegingen omtrent het bewijs niet het uitblijven van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag betrekken.
NJ2019/298 m.nt. Rozemond eerdere rechtspraak over het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen, als volgt samengevat: [4]
tweededeelklacht houdt in dat de omstandigheid dat de verklaring van de verdachte niet in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaring van een getuige, of op onderdelen zelfs tegenstrijdig zou zijn aan die verklaring, niets zegt over de concreetheid, verifieerbaarheid en (on)waarschijnlijkheid van die verklaring. Ook de omstandigheid dat de verklaring aan de hand van technische gegevens in het dossier niet is te verifiëren en dat de verdachte geen nadere technische gegevens heeft aangeleverd, zou niet betekenen dat de verklaring niet als een verifieerbare verklaring kan worden aangemerkt. Daarbij wordt naar voren gebracht dat het hof de verdachte heeft tegengeworpen dat de gebruikte ledger wallet niet is aangeleverd, terwijl door de verdachte en getuige [betrokkene 1] zou zijn verklaard dat deze in beslag is genomen door de politie dan wel bij de inval door de politie is verdwenen. Daarnaast wordt aangevoerd dat het niet aanleveren van de ledger wallet niet zonder meer zou afdoen aan de mogelijkheid onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte. De steller van het middel vestigt voorts de aandacht op verschillen tussen de weergave van de verklaring van getuige [betrokkene 1] in het bestreden arrest en in het proces-verbaal van de terechtzitting, en betoogt dat de gestelde verschillen tussen de verklaring van de verdachte en van de getuige [betrokkene 1] niet zodanig groot zijn dat de verschillen ten grondslag kunnen worden gelegd aan (kort gezegd) de bewezenverklaring van het uit misdrijf afkomstig zijn van het geld.
derdemiddel bevat de klacht dat het hof een combinatie van straffen heeft opgelegd die de wet niet toestaat.