Conclusie
1.Inleiding
2.De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en -overwegingen
- een contant geldbedrag van 1.750 euro (aangetroffen in de jaszak van verdachte), en
- een contant geldbedrag van 11.370 euro (aangetroffen in de portemonnee van verdachte), en
- een contant geldbedrag van 9.700 euro (aangetroffen in de auto van de vrouw van verdachte, met kenteken [kenteken 1] , in een sok in de achterbak), en
- een contant geldbedrag van 7.900 euro (aangetroffen in een sok in de achterbak van de auto van de vrouw van verdachte, met kenteken [kenteken 1] ), en
- een contant geldbedrag van 2.330 euro (aangetroffen in een tissuebox op het dashboard in de auto van de vrouw van verdachte, met kenteken [kenteken 1] ), en
- in een witte plastic tas bovenop de kledingkast aan de [a-straat 1] de volgende geldbedragen:
- een contant geldbedrag van 10.000 euro (aangetroffen in meerdere sokken)
- een contant totaalbedrag van 56.900 euro (in acht bundels (telkens) samengebundeld door middel van een elastiek), en
- een contant geldbedrag van 750 euro (aangetroffen in een kartonnen verpakking van mondwater op zolder aan de [a-straat 1] ),
voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
Wij hebben onderzoek ingesteld in een personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 1] ten name gesteld van [betrokkene 1] , de vrouw van verdachte [verdachte] .
Categorie omschrijving: geld
Inhoud: 100 x 50 euro
Inhoud: sok met geld
VerwerenDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman meerdere verweren gevoerd.
(…)
Bewijsvermoeden witwassenDe raadsman heeft aangevoerd, overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, dat de verdachte een verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geld heeft gegeven welke concreet, verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken is. De omstandigheid dat de verdachte meerdere verklaringen heeft gegeven voor de herkomst van het geld kan verklaard worden door de psychische en fysieke problemen die de verdachte ten tijde van het afleggen van die verklaringen onderging, alsmede de omstandigheid dat er problemen waren met de Nederlandse taal en het ontbreken van een tolk Albanees die het Kosovaarse accent beheerste. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de herkomst van het geld gelegen is in geïnde huren van een tweetal appartementen in Duitsland, zoals door de verdachte is verklaard.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Verspreid over meerdere plaatsen is bij de verdachte een geldbedrag van in totaal meer dan € 100.00,- in contanten aangetroffen. Uit de inkomsten van de verdachte is, gelet op de hoogte daarvan, de herkomst van dit grote geldbedrag niet te verklaren. Daarbij is de wijze van bewaren, zoals in een sok in de kofferbak van de auto of in een plastic zak bovenop de kledingkast, dermate opmerkelijk dat naar het oordeel van het hof het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze geldbedragen uit (enig) misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat van de verdachte verwacht mag worden dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen. De verdachte heeft meerdere verklaringen gegeven voor het aangetroffen geld. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaring aangaande de geïnde huren op zichzelf bezien reeds volstrekt niet aannemelijk is. Kijkend naar (de hoogte van) het inkomen van de verdachte en zijn vrouw in (een deel van de) periode waarin de huurgelden geïnd zouden zijn, dan vermag het hof niet in te zien hoe van dit inkomen een gezin kan zijn onderhouden zonder dat gebruik is gemaakt van de geïnde huurgelden. Aldus acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte al de geïnde huurgelden heeft kunnen opsparen en op 28 november 2016 contant voorhanden heeft kunnen hebben.
Het verweer wordt verworpen.”
Aanvulling (verbetering) op het arrest en de bewijsmiddelen:(…)
In aanvulling op zijn pleitnota heeft de raadsman betoogd dat het geld afkomstig was uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven. Deze (blote) stelling – die door de verdachte overigens nimmer is ingenomen, ook niet ter zitting in hoger beroep – is niet gespecificeerd, laat staan onderbouwd en wordt daarom door het hof gepasseerd.
4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Aangevoerd is dat niet bewezen kan worden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Zoals van de verdachte verwacht mocht worden, heeft hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten om daar vervolgens (voldoende) onderzoek naar te doen. Zodoende is er geen situatie waarin een criminele herkomst van het geld als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. De verdachte dient te worden vrijgesproken.
4.2.2. Beoordeling
ToetsingskaderDe verdachte wordt verweten dat hij een geldbedrag van ruim honderdduizend euro heeft witgewassen. De rechtbank stelt met de officier van justitie en de verdediging vast dat er geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.
Witwassen kan in een dergelijk geval bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.
De rechtbank dient vast te stellen of de feiten en omstandigheden zodanig zijn dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Als de verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassenDe verdachte is staande gehouden op grond van de Wet wapens en munitie. Bij de verdachte is geen wapen aangetroffen, wel had hij ruim € 13.000,- contant geld bij zich. Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn er in de woning en in de auto van zijn vrouw die bij de woning geparkeerd stond, ook aanzienlijke contante geldbedragen aangetroffen. Dat geld was met elastiekjes gebundeld, verstopt in sokken, een tissuebox en verpakking van mondwater en een deel bestond uit biljetten van € 500,-. In totaal heeft de verdachte € 101.540,- aan contant geld voorhanden gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is er onder deze omstandigheden zonder meer sprake van een vermoeden van witwassen.
Verklaringen van de verdachteDe verdachte heeft diverse en wisselende verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld en in een later stadium documenten overgelegd die deze verklaringen zouden moeten onderbouwen.
Bij zijn aanhouding heeft de verdachte verklaard dat hij het in zijn jas en portemonnee aangetroffen geld bij zich droeg omdat hij de dag daarna naar Kosovo zou vertrekken. Een deel van het geld – het bedrag van € 1.750,- dat hij in zijn jas droeg – had hij kort daarvoor ontvangen van een kennis, om het bij diens familie te bezorgen in Kosovo.
In zijn eerste politieverhoor heeft hij verklaard dat hij € 10.000,- van een kennis, genaamd Murat, had geleend om er een auto mee te kunnen kopen voor de handel. Over meer vermogen dan het bij hem bij zijn aanhouding aangetroffen geldbedrag zou hij niet beschikken.
In zijn tweede verhoor verklaarde de verdachte aanvankelijk dat het niet kan dat er meer geld is aangetroffen. Pas wanneer hij wordt geconfronteerd met de geldbedragen die tijdens de doorzoeking in zijn woning en de auto van zijn vrouw zijn aangetroffen, verklaarde hij dat familie uit Kosovo dat geld heeft gebracht en dat het bestemd is voor de autohandel. Bij voorlezing van dat tweede verhoor verklaart de verdachte dat zijn eerdere verklaringen niet kloppen: het aangetroffen geld is zijn eigen geld dat nog over is van een contante opname van € 160.000,- van zijn bankrekening kort na de invoering van de euro in 2002. Hij had meer dan twintig jaar geleden geld op zijn bankrekening gekregen in verband met de verkoop van een stuk land in Kosovo.
Later heeft de verdachte enkele in april 2017 in [plaats] (Kosovo) onder ede opgemaakte verklaringen overgelegd waarin de verdachte, zijn broer en een ander familielid verklaren dat de verdachte in 1992 een stuk land met een erf heeft verkocht voor 279.500 Duitse Marken (hetgeen volgens de politie toen een waarde van € 142.906 vertegenwoordigde) en in 2002 een huis in Kosovo voor € 62.200. Voorts heeft hij een koopovereenkomst van een appartement in Duitsland overgelegd. De verdachte verklaart dat hij dat appartement samen met zijn broer heeft gekocht en dat hij dat verhuurt. In zijn laatste verklaring bij de politie verklaart hij voor het eerst dat hij huurpenningen zou hebben ontvangen in Duitsland en dat hij eens in de zoveel tijd daar zou hebben gepind en dat geld contant mee naar Nederland zou hebben gebracht.
Uit de wijze waarop de verhoren zijn verlopen, blijkt dat de verdachte na zijn aanhouding geen openheid van zaken heeft willen geven omtrent het contante vermogen waarover hij beschikte. Pas op het moment dat hij met de resultaten van de doorzoeking werd geconfronteerd, is hij gaan verklaren. Die verklaringen zijn in het geheel niet consistent. Zo heeft de verdachte eerst verklaard dat hij grond heeft verkocht in Kosovo en dat hij dat geld meer dan twintig jaar geleden op zijn rekening heeft gekregen, later dat hij grond heeft verkocht voor € 420.000,- en dat dat geld is opgegaan aan familieleden en de wederopbouw. Nog weer later heeft hij verklaard dat hij het met de verkoop van die grond gemoeide bedrag van (omgerekend ongeveer) € 140.000,- in vijf termijnen in Duitse Marken contant betaald heeft gekregen. Dat geld zou hij mee naar Nederland hebben genomen en bij de bank hebben omgewisseld. Pas in een veel later stadium verklaarde de verdachte over woningen in Duitsland waar hij jaarlijks duizenden euro’s huurpenningen uit zou verkrijgen.
De verdachte heeft desgevraagd bankafschriften afgegeven bij de politie. Door de politie is vastgesteld dat de rekeningafschriften niet compleet en/of opvolgend zijn. De verdachte stelt niet meer over de ontbrekende bankafschriften te beschikken. Waar wel uit de verstrekte rekeningafschriften blijkt dat de verdachte op 21 februari 2002 een bedrag van € 140.000,- heeft opgenomen, is uit de rekeningafschriften niet af te leiden hoe en wanneer dat op de rekening van de verdachte is bijgeschreven.
Ter terechtzitting van 2 mei 2018 heeft de rechtbank de verdachte voorgehouden dat de opname van € 140.000,- plaatsvond in de maand dat hij blijkens de koopovereenkomst ook appartementen in Duitsland ter waarde van € 143.000 heeft gekocht. Op de vraag of de opname met de aankoop van de appartementen te maken had, heeft de verdachte geantwoord dat hij dat geld voor zover hij zich kan herinneren heeft opgenomen toen de gulden overging in de euro. Het geld heeft hij opgenomen om thuis te houden omdat hij de banken niet vertrouwde. Wat opvalt, is dat er drie dagen voor de contante opname van bovengenoemd bedrag € 20.000,- uit een doorlopend krediet op de bankrekening van de verdachte wordt bijgeschreven. De verdachte heeft niet kunnen verklaren waarom hij geld heeft geleend om dat bedrag vervolgens samen met zijn andere geld contant op te nemen en verdeeld over zijn woning en auto jarenlang te bewaren.
De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd en heeft zijn verklaring naarmate de tijd verstreek bijgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank draagt de wijze waarop zijn uiteindelijke verklaring tot stand is gekomen niet bij aan de geloofwaardigheid van die verklaring.
De door de verdachte en zijn raadsman (afwijkende) aangevoerde redenen voor de wisselende verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig. Niet valt in te zien waarom de verdachte uit angst een andere verklaring zou hebben afgelegd terwijl de toenmalige raadsman van de verdachte de verhoren van 28 en 30 november 2016 heeft bijgewoond. Gelet op het politieverhoor van 1 december 2017 waar de verdachte zonder tolk en in het bijzijn van zijn huidige raadsman is gehoord, kan ook ene gestelde taalbarrière de verschillen niet verklaren.
Al het voorgaande in overweging nemende komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van de verdachte hoogst onaannemelijk is.
Dat ligt anders ten aanzien van het geldbedrag dat in een envelop in de woning is aangetroffen. Ten aanzien van dat bedrag heeft de verdachte vanaf de aanvang specifiek verklaard dat dat geld van de kinderen is. Die verklaring heeft de verdachte op de zitting van 2 mei 2018 bevestigd. De verdachte zal partieel worden vrijgesproken van witwassen ten aanzien van dat geldbedrag, en dat bedrag zal worden bewaard ten behoeve van teruggave aan de rechthebbende.
Subsidiair verweer raadsmanVoor zover de raadsman het verweer heeft gevoerd dat het geld dat de verdachte voorhanden heeft gehad, afkomstig was uit een door hem zelf gepleegd misdrijf en dat niet bewezen kan worden dat hij dit geld heeft verborgen of verhuld – om welke reden de verdachte zou moeten worden vrijgesproken –, oordeelt de rechtbank dat de in dit verweer besloten liggende stelling dat het geld middellijk of onmiddellijk afkomstig was van een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf, feitelijke grondslag ontbeert. Dit verweer behoeft daarom geen nadere bespreking.
4.2.3 Conclusie
De hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maken dat het niet anders kan dan dat het bewezenverklaarde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig moet zijn en dat de verdachte dit ook wist. Het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen.”
3.Het eerste middel
Vervolgens heeft het hof – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat deze omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat deze geldbedragen uit (enig) misdrijf afkomstig zijn. Daarmee lag het op de weg van de verdachte om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.
4.Het tweede middel
De primaire klacht houdt in dat het hof in strijd met art. 358, lid 3 en lid 5, Sv pas in de aanvulling op het arrest een beslissing heeft genomen op een door de raadsman van de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer.
De subsidiaire klacht komt erop neer dat de verwerping van dit uitdrukkelijk voorgedragen verweer onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd.
BEWIJS(…)
Uit dit dossier blijkt niet dat het niet anders kan zijn dan dat het geld onmiddellijk afkomstig is van enige misdrijf.
Als dat wel zo is, dient het uitgangspunt volgens het dossier te zijn dat het geld afkomstig is uit een door cliënt zelf begaan misdrijf (dat ligt dan in de rede omdat het zijn geld betreft).
Omdat geen sprake is van handelingen/gedragingen die duiden op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld en er slechts kan worden gesproken van het voorhanden hebben van de geldbedragen dient er ofwel vrijspraak, dan wel een Ontslag van alle Rechtsvervolging te worden uitgesproken.”
Aanvulling (verbetering) op het arrest en de bewijsmiddelen:
(…)
In aanvulling op zijn pleitnota heeft de raadsman betoogd dat het geld afkomstig was uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven. Deze (blote) stelling – die door de verdachte overigens nimmer is ingenomen, ook niet ter zitting in hoger beroep – is niet gespecificeerd, laat staan onderbouwd en wordt daarom door het hof gepasseerd.”
5.Het derde middel
STRAFMAAT
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen, zoals deze vermeld zijn onder 1 tot en met 16 op de lijst van' inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu met betrekking, tot deze geldbedragen het onder 1 bewezen verklaarde is begaan.