Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 februari 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden en verbeurdverklaring van een geldbedrag wegens witwassen. In cassatie stelde de verdachte dat het onderzoek in eerste aanleg nietig was omdat de stukken van de beklagprocedure, waaronder het klaagschrift van zijn raadsman, niet in het strafdossier waren gevoegd. Hierdoor was de raadsman niet erkend en was hem geen afschrift van de dagvaarding en oproeping toegezonden, wat volgens art. 51 Sv Pro vereist is.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van de stukken van de beklagprocedure in het strafdossier niet leidde tot nietigheid van het onderzoek, omdat geen rechtsregel verplicht om deze stukken toe te voegen als de beklagprocedure al was afgerond. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het hof niet onjuist had geoordeeld en voldoende had gemotiveerd waarom het voorschrift van art. 51 Sv Pro niet was geschonden.
Het cassatieberoep faalde en de veroordeling bleef in stand. De Hoge Raad benadrukte dat uit het dossier niet bleek dat de raadsman als zodanig erkend moest worden en dat de verdachte geen afstand had gedaan van rechtsbijstand. De stukken van de beklagprocedure behoefden niet in het strafdossier te worden gevoegd om aan art. 51 Sv Pro te voldoen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte blijft in stand.