AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad over rechtsbijstand bij verzetschrift tegen strafbeschikking en kennisgeving aan raadsman
In deze zaak stond centraal of uit het indienen van een verzetschrift tegen een strafbeschikking door een advocaat kan worden afgeleid dat de verdachte in eerste aanleg was voorzien van rechtsbijstand, zodat de raadsman een afschrift van de dagvaarding had moeten ontvangen. De Hoge Raad bevestigt dat een verzetschrift niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan een akte hoger beroep of een appelschriftuur die rechtsbijstand impliceert.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat alleen uit stukken in het dossier kan blijken dat een verdachte rechtsbijstand had, en dat een volmacht voor het indienen van een rechtsmiddel niet automatisch betekent dat de advocaat ook bij de daaropvolgende behandeling optreedt als raadsman. In dit geval was geen stelbrief gevonden en was er geen ander stuk dat aangaf dat de raadsman bij de behandeling in eerste aanleg aanwezig zou zijn.
Het hof had daarom terecht geoordeeld dat het voorschrift van artikel 51 SvPro niet was geschonden en dat de politierechter de zaak mocht behandelen, ook al was de raadsman niet verschenen en niet op de juiste wijze was geïnformeerd over de zittingsdatum. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging of een advocaat als raadsman moet worden erkend en dat het indienen van een verzetschrift niet automatisch rechtsbijstand impliceert. Tevens wordt gewezen op de bestuursrechtelijke context waarin minder strenge eisen gelden voor het erkennen van een gemachtigde.
Uitkomst: Het middel slaagt; de zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling.
Conclusie
Nr. 15/03926
Zitting: 11 april 2017
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 20 augustus 2015 door het hof 's-Hertogenbosch wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een geldboete van 300 (driehonderd) euro (in termijnen), te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis. Het hof heeft de strafbeschikking ter zake van het feit vernietigd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.A.M. Hendrix, advocaat te Sittard, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middelklaagt over de afwijzing van het verzoek om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.
Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 6 augustus 2015 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De raadsvrouwe voert daarop het woord als volgt.
De verdediging meent dat de politierechter ten onrechte verstek heeft verleend tegen cliënt en vervolgens vonnis heeft gewezen. De politierechter had namelijk niet aan de behandeling van de strafzaak ten gronde mogen toekomen omdat één van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, te weten de raadsman van cliënt, mr. Bergmans, aldaar niet is verschenen aangezien het voorschrift van artikel 51 vanPro het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd. De verdediging verzoekt het hof daarom de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.
Mij wordt gevraagd waaruit blijkt dat mr. Bergmans zich in eerste aanleg als raadsman van cliënt had gesteld. Mr. Bergmans heeft bij brief van 4 juli 2014 namens cliënt, daartoe bepaaldelijk door hem gevolmachtigd, verzet gedaan tegen de aan cliënt opgelegde strafbeschikking met het CJIB-nummer 1132 5420 0177 7118. Vervolgens is de ontvangst van het verzetschrift op zijn uitdrukkelijk verzoek aan mr. Bergmans bevestigd. Hieruit kan worden afgeleid dat de justitiële autoriteiten de indiening van het verzetschrift hebben opgevat als mededeling dat mr. Bergmans zich als raadsman van cliënt had gesteld en dat de justitiële autoriteiten hem als advocaat van verdachte hebben erkend. Dit betekent dat mr. Bergmans in kennis had moeten worden gesteld van de terechtzitting van de politierechter van 17 september 2014. Dat is echter niet gebeurd.
In mijn dossier bevindt zich wel een kopie van het verzetschrift van 4 juli 2014, waarin door mr. Bergmans tevens uitdrukkelijk is verzocht om hem een ontvangstbevestiging van het verzetschrift te doen toekomen, maar ik tref bij mijn stukken geen kopie van een zogenoemd stelbriefje in eerste aanleg aan. Wellicht kan op mijn kantoor nog worden nagaan of er destijds een stelbriefje is uitgegaan.
De voorzitter onderbreekt daarop het onderzoek teneinde de raadsvrouwe van de verdachte in de gelegenheid te stellen telefonisch contact met haar kantoor op te nemen. Nadat het onderzoek ter terechtzitting is hervat, deelt de raadsvrouwe desgevraagd mede:
In de kantooradministratie is in deze zaak geen afzonderlijk stelbriefje in eerste aanleg aangetroffen. Ik handhaaf echter mijn standpunt dat een stelbriefje niet vereist was, omdat uit het indienen van het verzetschrift door mr. Bergmans kon worden afgeleid dat hij als raadsman van cliënt zou optreden bij gelegenheid van de behandeling van de zaak ter terechtzitting van de politierechter, zodat hij van die terechtzitting in kennis had moeten worden gesteld. Nu dat niet is gebeurd is sprake van een verzuim dat leidt tot nietigheid van het vonnis van de politierechter. De verdediging blijft bij haar verzoek de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.
De voorzitter deelt daarop mede:
Het hof heeft van de onderbreking van de terechtzitting gebruik gemaakt zich te beraden over de vraag of, indien een stelbrief ontbreekt, op grond van het betoog van de raadsvrouwe de zaak zou moeten worden teruggewezen naar de rechtbank. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Aangezien de door de verdachte aan mr. Bergmans verstrekte volmacht is beperkt tot de indiening van het verzetschrift tegen de strafbeschikking en niet is gebleken dat mr. Bergmans zich uitdrukkelijk als raadsman van de verdachte heeft gesteld met het oog op de behandeling van de zaak ter terechtzitting, bestond er naar het oordeel van het hof voor de justitiële autoriteiten geen verplichting om mr. Bergmans in kennis te stellen van de terechtzitting van de politierechter waarop de zaak na verzet behandeld zou worden. Nu niet kan worden gezegd dat het voorschrift van artikel 51 vanPro het Wetboek van Strafvordering is geschonden, zal het verzoek tot terugwijzing van de zaak worden afgewezen en zal het hof met de behandeling van de zaak in hoger beroep doorgaan.”
5. Het bestreden arrest van het hof bevat, voor zover voor de beoordeling van belang, de volgende overweging:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte het hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Daartoe is aangevoerd dat de politierechter niet aan de behandeling van de strafzaak ten gronde had mogen toekomen omdat een van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, te weten de raadsman van de verdachte, mr. S.F.J. Bergmans, aldaar niet is verschenen aangezien het voorschrift van artikel 51 vanPro het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd.
Het hof overweegt als volgt.
Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat mr. Bergmans voornoemd bij brief van 4 juli 2014 namens de verdachte verzet heeft gedaan tegen de aan verdachte opgelegde strafbeschikking met het CJIB-nummer 1132 5420 0177 7118. Uit het verzetschrift blijkt dat mr. Bergmans tot indiening daarvan door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd was.
Anders dan door de raadsvrouwe betoogd, brengt de enkele mededeling dat mr. Bergmans met volmacht van de betrokkene het verzetschrift tegen de strafbeschikking indient naar het oordeel van het hof niet met zich mee dat mr. Bergmans door de politierechter of andere justitiële autoriteiten moest worden aangemerkt als raadsman die de verdachte bij gelegenheid van de behandeling van het verzetschrift ter terechtzitting in eerste aanleg zou bijstaan. Het hof merkt in dit verband op dat naar zijn oordeel het aanwenden van een rechtsmiddel, i.c. de indiening van het verzetschrift, niet moet worden gerekend tot de daaropvolgende behandeling van de zaak in eerste aanleg, maar nog tot de fase van instructie en advisering van de verdachte door een rechtsgeleerd hulpverlener, welke fase in het onderhavige geval is afgesloten met het indienen van een verzetschrift tegen de opgelegde strafbeschikking.
Dit betekent dat, om mr. Bergmans als (gekozen) raadsman te kunnen erkennen, vóór de behandeling van de zaak in eerste aanleg een schriftelijke kennisgeving (stelbriefje) aan de griffie had moeten worden gezonden of dat uit enig ander in het dossier aanwezig stuk aan de politierechter of de andere justitiële autoriteiten had kunnen blijken dat de verdachte was voorzien van rechtsbijstand door mr. Bergmans. Uit de mededelingen van de raadsvrouwe ter terechtzitting van het hof volgt dat een zogenoemd stelbriefje in deze zaak in eerste aanleg kennelijk achterwege is gebleven. Enig ander stuk waaruit volgt dat de verdachte in die fase van de behandeling van de zaak was voorzien van rechtsbijstand heeft het hof in het dossier niet aangetroffen.
Resumerend stelt het hof derhalve vast dat in deze zaak niet kan worden gezegd dat het voorschrift van artikel 51 vanPro het Wetboek van Strafvordering is geschonden en voorts dat de politierechter, hoewel de verdachte noch een raadsman ter terechtzitting waren verschenen, niet gehouden was te onderzoeken of aan dat voorschrift was voldaan.
Aangezien de verdachte op de bij de wet voorgeschreven wijze is gedagvaard tegen de terechtzitting van de politierechter, ziet het hof geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank en wordt het daartoe strekkende verzoek afgewezen.”
6. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat ook buiten de in art. 423, tweede lid, Sv bedoelde gevallen terugwijzing van het hof naar de rechtbank kan zijn aangewezen. Ik citeer de zogenaamde kernroljurisprudentie van de Hoge Raad [1] :
“(…)Ingevolge art. 423, eerste lid, Sv behoort het hof, indien de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en sprake is van een ter gelegenheid van de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg tot nietigheid leidend verzuim, na een geheel nieuwe behandeling van de zaak in hoger beroep, de uitspraak van de eerste rechter te vernietigen, maar niet, vervolgens, de zaak terug te wijzen naar de eerste rechter op de grond dat de verdachte een aanleg heeft ontbeerd. Voor enkele gevallen waarin de eerste rechter de hoofdzaak wel heeft beslist dient echter een uitzondering op de hiervoor bedoelde hoofdregel te worden gemaakt en brengt het in art. 423, tweede lid, Sv besloten liggende beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties mee dat, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak wordt teruggewezen naar de eerste rechter, tenzij door de advocaat-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het hof is verlangd. Van een geval als hiervoor bedoeld is sprake indien zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaats gevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, alsmede wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Tot zodanige personen dienen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, slechts de verdachte en diens raadsman te worden gerekend (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996, 557).”
7. Volgens de steller van het middel had de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling mogen toekomen omdat de raadsman van verdachte niet bij het onderzoek ter terechtzitting is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.
8. Bij de beantwoording van de vraag of de politierechter ervan diende uit te gaan dat verdachte in eerste aanleg was voorzien van rechtsbijstand geldt in de woorden van de Hoge Raad [2] het volgende:
“Art. 51, tweede volzin, Sv bepaalt dat van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht de raadsman onverwijld afschrift ontvangt, behoudens het bepaalde in art. 32, tweede lid, Sv. Voorts geldt dat indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, deze raadsman als zodanig behoort te worden erkend (vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161).”
9. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat verdachte in overeenstemming met art. 257f, eerste lid, Sv voor de zitting van de politierechter is opgeroepen [3] en moet ervan worden uitgegaan dat er geen afschrift van de oproep is verzonden naar de advocaat mr. Bergmans die op grond van art. 257e, derde lid, Sv verzet tegen de strafbeschikking heeft gedaan onder de verklaring bepaaldelijk door verdachte te zijn gevolmachtigd. Ik wijs er voorts op dat noch de toelichting op het verzoek in feitelijke aanleg noch de toelichting op het middel enige aanwijzing bevat dat mr. Bergmans in het kader van de afhandeling van strafbeschikking bijstand aan verdachte heeft verleend. [4] Verdachte is kennelijk in het kader van de oplegging van de strafbeschikking niet gehoord. Verplicht horen en verplichte rechtsbijstand, zoals bedoeld in de eerste twee leden van art. 257c Sv, was hier niet aan de orde. [5]
10. Het komt uiteindelijk aan op de vraag of de politierechter uit het zich bij de stukken bevindende ‘Verzetschrift strafbeschikking’ moest afleiden dat verdachte in eerste aanleg bij de rechtbank van rechtsbijstand was voorzien. Het verzetschrift houdt onder meer in dat het is ingediend door de daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde mr. Bergmans en dat verdachte woonplaats kiest op het kantoor van mr. Bergmans. Een kleine informele verkenning bij enkele rechters leverde mij geen consistent beeld van de praktijk. In ieder geval is er één rechtbank met als uitgangspunt dat na verzet door een gemachtigde raadsman het stellen als raadsman niet is vereist.
11. In het kader van hoger beroep is de hier aan de orde zijnde problematiek al vaker in de rechtspraak van de Hoge Raad aan de orde geweest. De Hoge Raad [6] overwoog bijvoorbeeld niet lang geleden nog:
“De regeling van art. 39 SvPro moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend.
De appelakte waarin is vermeld dat namens de verdachte door een advocaat het rechtsmiddel is aangewend, is evenwel niet als een dergelijk stuk aan te merken. Uit de enkele omstandigheid dat namens een verdachte door een advocaat een rechtsmiddel is ingesteld, kan immers niet worden afgeleid dat die advocaat de verdachte ook bij de daaropvolgende behandeling als raadsman zal bijstaan (vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161). Daaruit volgt dat een door een advocaat verleende schriftelijke volmacht om namens de verdachte een rechtsmiddel in stellen evenmin als zodanig stuk kan gelden, ook niet indien die volmacht het verzoek bevat om een afschrift van de appeldagvaarding aan het kantooradres van de advocaat te zenden.”
12. De Hoge Raad weigert daarmee uitsluitend uit een akte van hoger beroep en/of een volmacht tot het instellen van hoger beroep af te leiden dat een verdachte van rechtsbijstand is voorzien. Als de advocaat nalaat zich te stellen kan de verdachte daarvan onder omstandigheden dus de dupe zijn. Het instellen van hoger beroep moet niet worden gerekend tot de daaropvolgende behandeling van de zaak in hoger beroep, maar nog tot de behandeling in eerste aanleg. [7] Tot de taak van de raadsman die in eerste aanleg optreedt, hoort dat hij met de verdachte bespreekt of hoger beroep moet worden ingesteld en in voorkomende gevallen zorgdraagt dat dit geschiedt. [8]
13. Het verzetschrift heeft veel weg van de zojuist besproken akte hoger beroep en/of daartoe gegeven volmacht. Er is een niet onbelangrijk verschil. Ik wijs op de slotzin van art. 257e, vijfde lid [9] , Sv: “Bij het verzet kunnen schriftelijke bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven.” De bepaling is nogal vrijblijvend en vormvrij. Bezwaren mogen worden geuit, maar het is niet verplicht en niet met zoveel woorden is voorgeschreven dat de bezwaren in een bepaald bescheid moeten zijn vervat. In de MvT [10] valt namelijk te lezen:
“Ingevolge de voorgestelde strafvorderlijke regeling behoeven, anders dan ingevolge de Awb, geen gronden voor het verzet te worden opgegeven; de verdachte heeft wel de bevoegdheid daartoe. De gronden mogen derhalve ook eerst ter terechtzitting en dus mondeling worden bekendgemaakt respectievelijk uiteengezet.”
14. Het verzetschrift strafbeschikking kan, in het geval het de bezwaren tegen de strafbeschikking vermeldt, in mindere of meerdere mate trekken vertonen die eigen zijn aan een appelschriftuur. In het onderhavige geval zijn de geformuleerde bezwaren algemeen. Het gaat echter wel om iets meer dan ‘kaal’ verzet. Uit het verzetschrift kan worden opgemaakt dat er zowel bezwaar bestaat tegen het feit dat een beschikking is ‘opgelegd’ als tegen de hoogte van de boete. Het verzetschrift vermeldt immers het volgende:
“Klager kan zich niet vinden in het feit ter zake waarvan hij de strafbeschikking heeft ontvangen, te weten eenvoudige belediging van een ambtenaar in tegenwoordigheid. Tevens kan klager zich niet vinden in de opgelegde geldboete van € 357,-.”
15. Het indienen van een appelschriftuur wordt niet meer tot de taak van de raadsman in eerste aanleg gerekend. Die appelschriftuur - waarin ook getuigen kunnen worden opgegeven - vormt een onderdeel van de verdediging in hoger beroep. Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, betekent dit dat uit de omstandigheid dat namens de verdachte door een advocaat een appelschriftuur wordt ingediend, moet worden afgeleid dat die advocaat in hoger beroep als raadsman van de verdachte zal optreden. [11]
16. De vraag is nu of het verzetschrift gelijk moet worden gesteld met het geval dat alleen blijkt van een advocaat uit een akte en/of volmacht dan wel met het geval dat er sprake is van een appelschriftuur. Die vraag is hier cruciaal. Aan de omstandigheid dat verdachte woonplaats kiest op het kantoor van mr. Bergmans komt - anders dan de steller van het middel meent - geen bijzondere betekenis in dit verband toe, nu die mededeling er slechts toe strekt dat verdachte bereikbaar is (voor justitie).
17. Tegen gelijkstelling van het verzetschrift met de appelschriftuur zou kunnen worden aangevoerd dat de formulering van de bezwaren in het verzetschrift (te) algemeen is. Dat is een weinig krachtig argument. De formulering van bezwaren in een appelschriftuur heeft immers doorgaans ook een nogal algemeen karakter. Als het ontbreken van bezwaren in een verzetschrift dan wel de te algemene formulering ervan doorslaggevend is, komen ook vragen op. Hoe dan te handelen bij uitvoerige onderbouwde bezwaren in het verzetschrift? Betekenen onderbouwde bezwaren dat het verzetschrift kan worden gelijk gesteld met een appelschriftuur met als gevolg dat er van moet worden uitgegaan dat een verdachte is voorzien van rechtsbijstand bij de behandeling van het verzet? Het maken van verschil bij de beantwoording van de vraag of een verdachte is voorzien van rechtsbijstand tussen een verzetschrift zonder bezwaren, een verzetschrift met te algemene bezwaren en een verzetschrift met onderbouwde bezwaren is weinig praktisch.
18. Voor gelijkstelling van het verzetschrift met een appelschriftuur pleit dat volgens de wetgever het verzetschrift een document is waarin bezwaren tegen behandeling van de strafbeschikking kunnen worden geuit. De wettelijke status van beide geschriften (verzetschrift en appelschriftuur) is in zoverre dezelfde. In de praktijk zal een raadsman veelal pas bij de strafbeschikking worden betrokken als deze al is opgelegd. Horen van verdachte is in het wettelijk systeem immers uitzondering. De raadsman wordt dus juist ingeschakeld ten behoeve van de behandeling van het verzet.
19. In de wetenschap dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is op de oplegging van een strafbeschikking en evenmin op de procedure van en na verzet veroorloof ik mij vanwege het bestuurlijke karakter van de strafbeschikking een uitstapje. Artikel 2:1 AwbPro, dat is ingevoerd per 1 januari 1994, [12] luidt sindsdien ongewijzigd als volgt [13] :
1. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
2. Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
20. Het recht om zich te laten bijstaan/vertegenwoordigen door een gemachtigde (raadsman) geldt op basis van voornoemde bepalingen in alle fasen waarin contact met het bestuursorgaan wordt onderhouden, alsook tijdens (hoger) beroep bij de bestuursrechter. In de memorie van toelichting bij invoering van voornoemde artikelen is hieromtrent onder meer het volgende opgenomen:
3. “De woorden «in het verkeer met bestuursorganen» brengen tot uitdrukking dat de regeling van de bijstand en de vertegenwoordiging in beginsel geldt voor alle fasen waarin contacten met bestuursorganen worden onderhouden. Dat betekent, dat de bepalingen niet alleen bij de voorbereiding van bestuursbesluiten, maar ook in bezwaar en in administratief beroep van toepassing zullen zijn. Daarentegen bestaan in het bestuursprocesrecht reeds regels voor bijstand en vertegenwoordiging bij de administratieve rechter, welke in het kader van dit wetsontwerp onverlet kunnen blijven.” [14]
21. Uit de memorie van toelichting volgt dat het bestuursorgaan zich tot de gemachtigde dient te richten zodra het bestuursorgaan “weet dat er een gemachtigde is aangesteld”:
“(…) Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact met de belanghebbende - afgezien van de hierboven besproken persoonlijke oproeping - in beginsel via de gemachtigde verloopt. Een bestuursorgaan dat, wetend dat een gemachtigde is aangesteld, bepaalde stukken niet (tevens) aan deze gemachtigde doet toekomen, kan daarom in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding handelen (zie Afd. rechtspraak 17 december 1979, tB/S, II, nr. 58, over een oproeping in de bezwaarschriftprocedure).” [15]
En
“Niet altijd impliceert echter het optreden van een gemachtigde, dat ieder contact tussen bestuursorgaan en belanghebbende uitsluitend via de gemachtigde moet lopen. Veel zal van de omstandigheden afhangen. Zowel de aard van de contacten als de bedoeling van de belanghebbende zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen. Een vaste regel, geldende voor alle fasen van het bestuurlijke proces, is daarom niet te geven. Vooral tijdens de voorbereiding van de beschikking, wanneer velerlei contacten plaatsvinden, zou een algemene regel zijn doel voorbij schieten. Wel is in hoofdstuk 6 een op de bezwaarschrift- en beroepsprocedure toegesneden regeling opgenomen, die het bestuursorgaan verplicht de stukken in ieder geval aan de gemachtigde te zenden.” [16]
22. De rechtspraak bevat voorbeelden van gevallen waarin bij het bestuursorgaan bekend kan worden verondersteld dat er een gemachtigde is. In de uitspraak van 17 december 1979 overweegt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS):
“In gevallen waarin het aan het orgaan bekend is dat de betrokkene niet zelf de procedure voert, maar zijn belangen te dier zake laat behartigen door een raadsman, moet het naar het oordeel van de Afd. tot een beginsel van behoorlijk procesrecht worden gerekend, dat het orgaan de oproep voor de hoorzitting naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift mede aan de raadsman van de betrokkene, bij wie deze, tenzij anders blijkt, geacht moet worden domicilie te hebben gekozen, doet toekomen.
Uit de aan de gewraakte intrekking voorafgegane en daarmee samenhangende ontslagprocedures bij de Raad van Beroep en de CRvB was het verweerder bekend dat appellant in deze zijn belangen zowel schriftelijk als mondeling liet behartigen door een raadsman. Ook appellants bezwaarschrift tegen het besluit van 16 nov. 1977 heeft deze raadsman bij verweerder ingediend.
Naar het oordeel van de Afd. had het dan ook op de weg van verweerder gelegen om genoemde raadsman een oproep voor de hoorzitting van 9 maart 1978 te doen toekomen.
Verweerder heeft evenwel uitsluitend een oproep aan appellant zelf gericht, welke oproep appellant overigens stelt nimmer te hebben ontvangen.
Nu op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat in het onderhavige geval appellant de mogelijkheid tot het voeren van verweer niet genoegzaam is geboden, heeft verweerder zijn bestreden besluit naar het oordeel van de Afd. genomen in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat een beschikking met de nodige zorgvuldigheid moet worden voorbereid en genomen.” [17]
23. In zijn uitspraak van 21 januari 1999 overweegt de ABRvS [18] :
“De Afdeling merkt echter op dat hoewel de aanvraag door vergunninghouder zelf is ondertekend in de aanvraag duidelijk is aangegeven dat contactpersoon ten behoeve van de behandeling van de aanvraag de Bedrijfsmilieudienst Den Haag en Regio te Rijswijk is. Hieruit blijkt dat de gemachtigde van appellant diens belangen reeds behartigde ten tijde van de toezending van het ontwerp-besluit en dat verweerders hiervan op de hoogte waren, althans hadden kunnen zijn. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:1 lid 1 AwbPro blijkt dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met de belanghebbende in beginsel verloopt via de gemachtigde. Een bestuursorgaan dat, wetend dat een gemachtigde is aangesteld, bepaalde stukken niet (tevens) aan deze gemachtigde doet toekomen, kan daarom in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding handelen.
Aangezien verweerders op de hoogte waren of hadden moeten zijn dat de bedrijfsmilieudienst als contactpersoon voor de aanvraag zou optreden waren zij gehouden het verkeer dienaangaande te laten verlopen via de bedrijfsmilieudienst. Nu verweerders dit hebben nagelaten kan appellant naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs niet worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht.”
24. Deze verkenning levert op dat in het bestuursrecht niet al te strenge eisen worden gesteld alvorens een raadsman als gemachtigde wordt aangemerkt en voor mij onderstreept dit dat in procedures met bestuurlijke trekken niet te spoedig moet worden geëist dat een rechtzoekende verdachte niet wordt bijgestaan door een raadsman, omdat deze zich niet heeft gesteld.
25. Er moet een knoop worden doorgehakt. Omdat een verzetschrift bezwaren kan bevatten en daarmee trekken vertoont van een appelschriftuur - terwijl ik bovendien enig gewicht doe toekomen aan het ontbreken van een stelplicht in het bestuursrecht - komt het mij voor dat de daartoe gemachtigde raadsman die een verzetschrift indient is aan te merken als raadsman van verdachte na verzet.
26. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof [19] , teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
3.Voor zover in de toelichting op het middel nog de klacht verscholen ligt dat de oproeping diende te geschieden aan het in het verzetschrift strafbeschikking opgegeven kantooradres faalt die klacht gelet op HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3320,
4.Het strafdossier bevat overigens ook geen aanwijzingen daarvoor.
5.Als er niet wordt gehoord (dus geen ‘OM-zitting’) is de zaak naar ik begrijp (in ieder geval) niet ‘toevoegwaardig’. Zie P.T. Huisman en J. Vos, Handboek Strafzaken 3.3.3.d (bijgewerkt tot 31 mei 2009). Op 1 februari 2017 is door de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:226) bepaald dat het horen van een verdachte door de officier van justitie inzake een strafbeschikking moet worden aangemerkt als een behandeling in rechte. Vanaf de datum uitspraak kent de Raad voor Rechtsbijstand in die gevallen een vergoeding toe van 6 punten (
8.Zie M. Bakker, in: Handboek Verdediging, E. Prakken, T.N.B.M. Spronken (red), 2009, p. 579-580.
9.Bij de Wet van 17 februari 2016,
11.Zie HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:660 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:BY4303,
13.Zie voor bezwaar/beroep en beroep voorts de art. 6:17 enPro 8:24 Awb. Zie voor het onderscheid tussen bijstand en vertegenwoordiging Van Buuren/Jacobs, T&C Algemene wet bestuursrecht, art. 2:1, aant. 1.
19.Nu niet zonder meer vast staat welk ‘verlangen’ als bedoeld in art. 423, tweede lid, Sv bij de nieuwe behandeling in hoger beroep wordt geuit, gaat het te ver te verwijzen naar de rechtbank.