ECLI:NL:HR:2016:2486

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2016
Publicatiedatum
1 november 2016
Zaaknummer
15/00826
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 SrArt. 80a RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak seksuele handelingen met minderjarige

In deze zaak stond een vijftienjarig meisje centraal dat onvrijwillig seksuele handelingen moest verrichten met zes jongens van ongeveer achttien jaar oud in een voor haar onbekende woning. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige, in strijd met artikel 245 Sr Pro.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in, maar de Advocaat-Generaal adviseerde het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten onvoldoende waren om behandeling in cassatie te rechtvaardigen, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Dit arrest bevestigt het belang van artikel 80a RO om onnodige cassatieprocedures te voorkomen wanneer klachten niet substantieel zijn of geen kans van slagen hebben. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 1 november 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan kans van slagen.

Uitspraak

1 november 2016
Strafkamer
nr. S 15/00826
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 5 februari 2015, nummer 21/002484-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 november 2016.