Conclusie
(het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 2]), [slachtoffer 3]
(het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 3])en [slachtoffer 4]
(het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 4])naar Helmond gegaan. Omstreeks 14:00 uur kwamen wij aan bij de woning van [betrokkene 1]
(het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1]). Wij kwamen de straat inrijden en ik zag dat [slachtoffer 2] de auto parkeerde. Ik zat achter in de auto. Ik zat achter de bestuurder. Ik zag vanuit mijn ooghoeken [verdachte]
(het hof begrijpt hier en hierna: verdachte [verdachte])staan. Nadat ik [verdachte] zag staan, keken [verdachte] en ik elkaar aan en ik zag dat [verdachte] een vuurwapen pakte. Ik zag dat hij dit vuurwapen uit zijn jas pakte. Ik riep tegen mijn vrienden, bukken, bukken. Ik hoorde toen zes of zeven schoten. Ik zag dat deze schoten op mij waren gericht. Ik zag dat het raam van het voertuig waar ik zat, werd geraakt.
(het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 1])en een meisje. Wij zijn vanochtend met de auto van [slachtoffer 2] naar Helmond gekomen. [slachtoffer 2] parkeerde zijn auto en ik stapte vervolgens uit om mijn rug te strekken. Toen ik uit de auto stapte zag ik een jonge man staan met donkere haren. De jongen stond aan de linkerzijde van de auto. Ik stond op dat moment aan de rechterzijde van de auto. Ineens hoorde ik vuurschoten. Ik hoorde volgens mij iets van zes schoten. Vervolgens ben ik achter de rechtervelg van het voorwiel gaan liggen. Ik zag tijdens de vuurschoten dat [slachtoffer 1] uit het rechterachterportier van de auto kwam gekropen.
(het hof begrijpt: [slachtoffer 4])zat achter mij. We reden in een Volkswagen. We hebben de auto geparkeerd naast
(het hof begrijpt: op)een pleintje met parkeervakken. Op het moment dat ik mijn sigaretje uit het raam gooide, stond er ineens een man bij de auto. Hij stond aan de kant van de bestuurder. Ik hoorde [slachtoffer 1] in de auto zeggen: “Dat is hem”. Ineens zag en hoorde ik dat de man schoot. Ik zag dat hij een pistool in zijn hand had. Ik zag dat hij het wapen op onze auto richtte. Op het moment dat die man schoot, toen ik een knal hoorde, ben ik gelijk met mijn gezicht onder het dashboard geschoten en ik heb mijn gezicht naar de andere kant weggedraaid. Ik hoorde klappen, ik hoorde het afvuren van het wapen. Ik was doodsbang en ik wilde schuilen, zorgen dat hij me niet zou raken.
(het hof begrijpt: [betrokkene 1])uit te reiken, werd de voordeur door haar geopend. Door de geopende voordeur zag ik dat de achterdeur openstond. Ik vroeg aan [betrokkene 1] waarom [verdachte] zo snel weg was gevlucht. [betrokkene 1] gaf aan dat [verdachte] dacht dat ik hem voor een eventuele boete aan zou komen houden.
(het hof begrijpt dat wordt bedoeld: de [b-straat])12. Deze vertelde dat hij de schutter voorbij had zien rennen en deze herkende als zijnde de eerder genoemde [verdachte].
(het hof begrijpt: tussen [betrokkene 1] en verdachte)beëindigd was, hoorde ik een vijftal schoten vanuit de richting van het Willem Beringsplein. Ik keek naar de auto en zag de bestuurder hollen via de voorkant van de auto naar de bijrijderskant. De deur van de bijrijder stond open en daar stond iemand gehurkt of gebogen achter. Ik zag dat er ook achter in de auto inzittenden waren, die, voor mij aan de linkerzijde van de auto, uit de deur
(het hof begrijpt derhalve: gelet op de positie van verbalisant, vanuit het rechterachterportier van de auto)kwamen rollen.
eerstemiddel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het opzet op de dood van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
ten minstedriemaal op de auto van de aangevers heeft geschoten, de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte niet meer dan drie schoten op de auto heeft gelost. Het hof heeft weliswaar overwogen dat de stelling van de verdachte dat hij driemaal in de lucht heeft geschoten geen enkele steun vindt in het dossier, maar niet dat die stelling ongeloofwaardig is of niet aannemelijk is geworden. Het hof overweegt in dit verband immers niet meer dan dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] bij aanvullend proces-verbaal hebben gerelateerd dat op basis van de positie van de hulzen geen uitspraak kan worden gedaan omtrent de juistheid van de lezing van verdachte. Bij de beoordeling van het middel moet er daarom van worden uitgegaan dat de verdachte driemaal op de auto van de aangevers heeft geschoten. [5]
tweedemiddel klaagt ten eerste dat de bewijsvoering van het hof tegenstrijdig is en ten tweede dat het hof de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de positie van de aangevers in of nabij de auto onvoldoende heeft gemotiveerd.
voorinde auto instapten, niet voor het bewijs heeft gebezigd.
derdemiddel klaagt dat het hof de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling onjuist en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
een jaar endrie maanden heeft bedoeld. Een argument daarvoor is dat het hof kort daarvoor uitdrukkelijk heeft overwogen dat de verdachte op 30 augustus 2013 in vrijheid is gesteld, hetgeen minder waarschijnlijk maakt dat het hof zich heeft vergist in het tijdsverloop. Ik zie uiteindelijk toch onvoldoende grond om ervan uit te gaan dat het hof bij zijn beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is uitgegaan van het juiste tijdsverloop tussen de invrijheidstelling en de pleegdatum van de thans bewezen verklaarde feiten. De reden daarvoor is dat het hof eerst vaststelt dat de verdachte zich tijdens de proeftijd, die twee jaren bedroeg, heeft schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten. Een overweging dat de verdachte zich binnen een jaar en drie maanden na zijn invrijheidstelling aan die feiten heeft schuldig gemaakt, zou daaraan weinig toevoegen. Dat is anders indien het hof ervan is uitgegaan dat de verdachte – niet slechts binnen de proeftijd, maar reeds – binnen drie maanden na zijn invrijheidstelling opnieuw soortgelijke feiten heeft gepleegd. Ik houd het er daarom voor dat het hof bij zijn beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de verdachte binnen drie maanden opnieuw in de fout is ingegaan. Het middel klaagt daarover terecht.
vierdemiddel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, doordat het hof de stukken te laat heeft ingezonden.