Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie ingesteld door de klager tegen een beschikking van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, d.d. 2 maart 2016, waarbij een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering werd behandeld.
Namens de klager hebben advocaten Kuijper en Dieben een middel van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is, omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wijst het beroep derhalve af en bevestigt de beschikking van de Rechtbank Overijssel. De uitspraak is gedaan door de vice-president van de Hoge Raad als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 20 december 2016.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de beschikking van de Rechtbank Overijssel bevestigd.