Belanghebbende kreeg een aanslag in het recht van successie opgelegd naar aanleiding van een verkrijging uit een nalatenschap. De gemachtigde van belanghebbende ontving een duplicaat van het aanslagbiljet op 25 maart 2011. Het bezwaar werd pro forma ingediend op 6 september 2011, maar werd door de inspecteur niet tijdig geacht. De brief van 6 september 2013 van de inspecteur, waarin werd aangegeven dat het bezwaar niet ontvankelijk was, bevatte onduidelijkheden over de aard van de beslissing en ontbrak een rechtsmiddelverwijzing.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het beroep niet tijdig was ingesteld en dat de brief van 6 september 2013 als uitspraak op bezwaar moest worden gezien. De Hoge Raad stelt dat het op de weg van de inspecteur lag om duidelijkheid te verschaffen over het genomen besluit en de rechtsmiddelen. De onduidelijkheid in de brief van 6 september 2013 en de daaropvolgende communicatie waren onvoldoende om de gemachtigde te doen beseffen dat het beroepstermijn was gestart.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond, vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten en wordt het griffierecht aan belanghebbende vergoed.