Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging, althans de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ontoereikend heeft gemotiveerd.
ne bis in idem-beginsel. Daartoe wijst hij erop dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs als een
criminal chargein de zin van art. 6 EVRM Pro kan worden aangemerkt en dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs en de strafrechtelijke vervolging betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex, te weten het rijden in een auto zonder alcoholslot op 5 april 2015. De door het CBR opgelegde maatregel van de ongeldigverklaring van het rijbewijs en de mogelijk op te leggen sanctie in de strafzaak zien volgens de raadsman op dezelfde beschermde rechtsgoederen, te weten de bescherming van de verkeersveiligheid. Voorts heeft de raadsman betoogd dat strafrechtelijke vervolging in strijd is met beginselen van een goede procesorde.
ne bis in idem-beginsel biedt tegen de cumulatie van procedures en sancties.
ne bis in idem-beginsel houdt in dat niemand andermaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover bij gewijsde onherroepelijk is beslist. Art. 68 Sr Pro biedt bescherming tegen herhaaldelijke vervolging voor de strafrechter. De artikelen 5:44 Awb en 243, tweede lid, Sv bevatten een variant op het
ne bis in idem-beginsel, het
una via-beginsel. Dit beginsel is aan de orde als de verdachte zowel bestuurlijk wordt beboet als strafrechtelijk wordt vervolgd voor hetzelfde feit. Ook in Europese regelgeving is het
ne bis in idem-beginsel neergelegd. Zowel art. 4 van Pro het Zevende protocol bij het EVRM als art. 50 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie bevat een
ne bis in idem-bepaling. In zijn arrest van 1 februari 2011 wees de Hoge Raad erop dat Nederland het Zevende protocol bij het EVRM weliswaar niet heeft geratificeerd, maar dat dit niet wegneemt dat de rechtspraak van het EHRM over die bepaling van belang kan zijn voor de gedachtevorming over de toepassing van art. 68 Sr Pro. [7]
una via-beginsel van toepassing. In uitzonderlijke gevallen kan evenwel het aan art. 68 Sr Pro ten grondslag liggende beginsel bescherming bieden tegen het herhaaldelijk voeren van strafrechtelijke en bestuurlijke procedures. Daartoe is wel vereist dat de bestuurlijke procedure leidt tot de oplegging van een punitieve sanctie, oftewel dat de oplegging daarvan als ‘the determination of a criminal charge’ als bedoeld in art. 6 EVRM Pro heeft te gelden. Is van een
criminal chargegeen sprake, dan zal het
ne bis idem-beginsel ook geen belemmering vormen voor een tweede procedure ter zake van hetzelfde feit.
ne bis in idem-beginsel verbiedt een tweede vervolging (
bis) ter zake van hetzelfde feit (
idem). In zijn arrest van 1 februari 2011 heeft de Hoge Raad de toetsingsmaatstaf die dient te worden gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’ verduidelijkt. Die beoordeling vindt plaats door middel van een vergelijking van de in beide tenlasteleggingen opgenomen verwijten. Daarbij dienen als relevante vergelijkingsfactoren de juridische aard van de feiten (de juridische component) en de gedragingen van de verdachte (de feitelijke component) te worden betrokken. De juridische aard van de feiten behelst een onderzoek naar de beschermde rechtsgoederen en de op de overtreden strafbepalingen gestelde strafmaxima. Ook de kwalificatie van het ten laste gelegde als misdrijf of als overtreding kan in dit verband een rol spelen. De feitelijke component betreft de gedraging van de verdachte. Als het om verschillende gedragingen gaat, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. [8]
ne bis in idem-beginsel. Niet elke procedure wordt aangemerkt als een
tweedeprocedure (
bis) in de zin van het
ne bis in idem-beginsel. Uit de rechtspraak van het EHRM komt naar voren dat wanneer de gevoerde procedures sterk met elkaar zijn vervlochten en feitelijk één geïntegreerd geheel vormen, geen strijd bestaat met het
ne bis in idem-beginsel. [9] Vereist is dat sprake is van een ‘sufficiently close connection, in substance and time’. Relevante factoren zijn in dit verband:
idem). De verweten gedraging – rijden onder invloed van alcohol – is volgens de Hoge Raad identiek, terwijl de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar zijn, te weten de bevordering van de verkeersveiligheid. [13] Voorts nam de Hoge Raad in aanmerking dat de wetgever de samenhang tussen beide procedures niet heeft geregeld en daarmee geen regeling heeft getroffen die bepaalt hoe de strafrechter dient om te gaan met de samenloop van het alcoholslotprogramma en de in de strafzaak te nemen beslissingen op het gebied van procedurele afstemming, de vervolgbaarheid en / of de mogelijke verdiscontering van het gewicht van het opgelegde alcoholslotprogramma bij de sanctietoemeting (
bis). [14] In het oordeel van de Hoge Raad ligt besloten dat de oplegging van het alcoholslotprogramma als een ‘determination of a criminal charge’ moet worden aangemerkt. Als dat niet het geval zou zijn, zou het
ne bis in idem-beginsel immers niet in de weg staan aan een strafrechtelijke vervolging nadat naar aanleiding van hetzelfde feit reeds een alcoholslotprogramma is opgelegd. [15]
ne bis in idem-beginsel. In geval geen sprake is van de cumulatie van (procedures die leiden tot de oplegging van) punitieve sancties, valt het doek in cassatie. Zo worden de oplegging van een stadionverbod door de KNVB en het verbeuren van een geldboete aan de KNVB niet aangemerkt als een
criminal chargeals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, zodat het openbaar ministerie het recht tot strafvervolging van de verdachte niet verliest als de verdachte in verband met hetzelfde feit een stadionverbod is opgelegd en een geldboete is verbeurd. [18] De oplegging van een randvoorwaardenkorting (een korting op verleende subsidies) wordt door de Hoge Raad niet aangemerkt als een veroordeling voor een strafbaar feit in de zin van art. 50 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging (die was gevolgd na de oplegging van die randvoorwaardenkorting) gaf dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [19] Ook een door de burgemeester genomen besluit tot oplegging en verlenging van een huisverbod en een door het CBR opgelegde educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) zijn volgens de Hoge Raad niet punitief van aard. De Hoge Raad oordeelde ten aanzien van zowel het huisverbod als de EMA dat het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie het recht tot strafvervolging van de verdachte niet verliest door de enkele omstandigheid dat in verband met hetzelfde feit – resp. de bewezen verklaarde mishandeling en de weigering mee te werken aan de ademanalyse – een huisverbod dan wel EMA is opgelegd, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin ontoereikend is gemotiveerd. [20]
ne bis in idem-beginsel zou in die benadering een dam kunnen opwerpen tegen de cumulatie van procedures, mits althans sprake is van hetzelfde feit (
idem) en een tweede (
bis) procedure als bedoeld in dit beginsel.
ne bis in idem-beginsel. De Hoge Raad overwoog dat aan het middel de opvatting ten grondslag lag dat de door het hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het
ne bis in idem-beginsel, omdat (mede) naar aanleiding van het in de onderhavige zaak aan de verdachte ten laste gelegde feit diens rijbewijs op de voet van art. 134, tweede lid, WVW ongeldig is verklaard. De Hoge Raad achtte die opvatting onjuist. Daartoe overwoog de Hoge Raad het volgende:
NJ2015/256 omtrent de strafvervolging ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, noopt niet tot een ander oordeel, omdat het in dat arrest – anders dan in het onderhavige geval – kort gezegd ging om de uitzonderlijke situatie waarin twee procedures over een identieke verweten gedraging hun directe oorsprong vonden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen.”
ne bis in idem-beginsel. Ook in de onderhavige zaak is sprake van de ongeldigverklaring van het rijbewijs. Het hof heeft vastgesteld dat aan de verdachte op 28 januari 2013 een alcoholslotprogramma is opgelegd, dat hij op 5 juni 2015 is aangehouden in een auto die niet was voorzien van een alcoholslot en dat het CBR naar aanleiding van deze aanhouding het rijbewijs van de verdachte ongeldig heeft verklaard en de verdachte opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld deel te nemen aan een alcoholslotprogramma.
tweede middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof in zijn bewijsoverweging heeft gewezen op omstandigheden die kennelijk redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring, zonder met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan het die feiten en omstandigheden heeft ontleend.