Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
NJ1996/484, m.nt. Knigge hadden douaneambtenaren in een proces-verbaal gerelateerd dat zij informatie van een informant hadden gekregen, terwijl zij in werkelijkheid de inhoud van een door een hotelgast aan de receptie afgegeven tas hadden geïnspecteerd. Het hof oordeelde dat sprake was van een ernstige schending van een goede procesorde. Gelet op de omstandigheden van het geval, behoefde deze schending volgens het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging te leiden, waarbij het hof mede in aanmerking nam dat de onregelmatigheid geen bepalende invloed had gehad op de aanhouding en de vervolging van de verdachte. Dit oordeel bleef in cassatie in stand. [14]
NJ1997/308, m.nt. Schalken volgt dat ook na de invoering van art. 359a Sv en de introductie van het Zwolsman-criterium het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid op zijn plaats kan zijn in geval van misleidende verklaringen van politieambtenaren. In die zaak hadden twee opsporingsambtenaren ter zitting van het hof onware of misleidende verklaringen afgelegd over het ‘doorlaten’ als opsporingsmethode. De fungerend procureur-generaal bij het hof greep op de zitting niet in. De procureur-generaal bij het hof informeerde na de zitting het hof alsnog over de onjuiste berichtgeving. Het hof verklaarde daarop het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij volgde hij niet het spoor van de toenmalige advocaat-generaal bij de Hoge Raad, die van mening was dat het door de misleidende verklaringen ontstane nadeel was hersteld door de brief van de procureur-generaal bij het hof, waardoor alsnog de juiste informatie in het geding was gebracht. In de onderhavige zaak heeft het hof de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 1] in belangrijke mate doen steunen op zijn oordeel dat controle achteraf mogelijk is geweest en dat daardoor het verzuim is hersteld. Deze opvatting komt overeen met die van de advocaat-generaal in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 1997. Uit het arrest volgt dat de Hoge Raad een andere opvatting is toegedaan. In een noot onder dit arrest betuigt Buruma zijn instemming met de door de Hoge Raad gekozen lijn: