Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
Trace Sport SAS [7] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 [8] , die de rechtsgrond vormde voor de litigieuze uitnodigingen tot betaling, ongeldig verklaard voor zover het Sri Lanka betreft. De Rechtbank leidt uit dit arrest, in samenhang gelezen met een arrest van de Hoge Raad van 29 november 2019 [9] , af dat de antidumpingrechten niet wettelijk verschuldigd zijn. De Inspecteur heeft de Rechtbank verzocht de zaken aan te houden totdat de Europese Commissie (de Commissie) een onderzoek heeft afgerond naar hervatting van de procedure die aan de desbetreffende verordening ten grondslag ligt in verband met het al dan niet nemen van maatregelen tot wederinstelling van die rechten. De Rechtbank wijst dit verzoek af, omdat zo’n onderzoek naar het oordeel van de Rechtbank niets afdoet aan het ontbreken van een rechtsgeldige titel voor de heffing van antidumpingrechten.
2.Taak van de rechter in het hoger beroep
Herkansingsfunctie
Middel I slaagt. Belanghebbende heeft in hoger beroep ter betwisting van de omvang van de door de Inspecteur in aanmerking genomen bedragen ter zake van de uitdelingen van winst, stukken in het geding gebracht die niet behoorden tot de stukken waarvan de Rechtbank bij haar beoordeling van de zaken kennis heeft genomen. Door in zijn uitspraak geen overweging te wijden aan deze in hoger beroep nieuw bijgebrachte bestrijding van de correcties en zich aan te sluiten bij de gronden die de Rechtbank bezigde voor het oordeel dat de Inspecteur die correcties aannemelijk heeft gemaakt, heeft het Hof zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd.”
Zoals overwogen onder 5.2 heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat belanghebbende de in de utb’s vermelde antidumpingrechten - als gevolg van de ongeldigverklaring van verordening 501/2013 ten aanzien van de invoer van vanuit Sri Lanka verzonden rijwielen - niet wettelijke verschuldigd was. Het na de uitspraak van de rechtbank met terugwerkende kracht wederinstellen van de antidumpingrechten brengt niet met zich dat de uitspraak van de rechtbank - met terugwerkende kracht - onjuist is.Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich ertegen dat een rechterlijk oordeel achteraf wordt aangetast door de wetgever, ook indien het de Uniewetgever betreft.
Goed Wonen [19] . Gaat het echter om de terugwerkende kracht die aan Uniewetgeving is gegeven, zoals een verordening, dan zijn de toetsingsmogelijkheden beperkt. Een verordening is op grond van art. 288 VWEU Pro verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Een nationale rechter die twijfelt aan de geldigheid van een onderdeel van een verordening, zoals de terugwerkende kracht die daaraan is verleend, kan niet zelf die verordening buiten toepassing laten. Dat volgt uit het arrest
Foto-Frost [20] . Verschillen van inzicht tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten over de geldigheid van Unierechtelijke handelingen kunnen naar het oordeel van het Hof van Justitie juist afbreuk doen aan de rechtszekerheid:
3.Ontwijking van antidumpingrechten via Sri Lanka
City Cycle Industries/Raad [29] . Het Gerecht van de Europese Unie (het Gerecht) oordeelde dat de Raad niet over enige aanwijzing beschikte dat deze producent-exporteur betrokken was bij verzending na overlading. Er was aldus niet voldaan aan de tweede voorwaarde voor de vaststelling van ontwijking zoals bedoeld in art. 13(1) Basisverordening.
Maxcom/City Cycle Industries: [30]
Simon, Evers & Co. GmbH [31] (zie 3.7). Ten tweede kan de verandering in de structuur van het handelsverkeer (eerste voorwaarde) geen aanwijzing zijn dat is voldaan aan de tweede voorwaarde, namelijk dat die verandering voortvloeit uit ontwijkingspraktijken. Het Hof van Justitie bekrachtigde daarom de ongeldigverklaring van de verordening door het Gerecht.
Trace Sport SAS [32] op vragen die de Rechtbank in deze procedure heeft gesteld, de verordening ongeldig heeft verklaard voor zover het
alleinvoer van rijwielen uit Sri Lanka betreft. In dit arrest herhaalde het Hof van Justitie voor een deel de overwegingen uit het hiervoor geciteerde arrest:
4.Opnieuw instellen van antidumpingrechten na ongeldigverklaring verordening
Heropening van de procedure
Trace Sport SAShet onderzoek naar mogelijke ontwijking in Sri Lanka met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/1997 heropend. [33] Overigens had de Raad daarvóór al de antidumpingrechten op de invoer van rijwielen verzonden uit Sri Lanka wederingesteld, namelijk voor zover die rijwielen afkomstig waren van City Cycle Industries. [34]
Industrie des poudres sphériques/Raad [35] volgt dat hiervoor geen aparte rechtsgrondslag nodig is. Uit artikel 266 VWEU Pro vloeit zelfs de verplichting voort voor de betrokken instellingen om na de ongeldigverklaring van een Uniehandeling de nodige maatregelen te treffen om de vastgestelde onwettigheid te herstellen. De instellingen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de keuze van de middelen die moeten worden geïmplementeerd om uitvoering te geven aan het arrest waarbij de handeling ongeldig is verklaard, met dien verstande dat die middelen verenigbaar moeten zijn met het dictum van het betrokken arrest en de rechtsoverwegingen die er de noodzakelijke steun aan bieden. [36]
aangezien de door het Hof vastgestelde onwettigheid geen betrekking had op de vaststelling ten gronde inzake het bestaan van ontwijking.(…)”
Trace Sport SASvastgestelde onwettigheid te herstellen. Het Hof van Justitie heeft immers geoordeeld dat niet is voldaan aan alle voorwaarden voor de vaststelling van ontwijking.
motivering van het bewijsvan het bestaan van de ontwijkingspraktijken, maar ook op de
aardvan die praktijken. Dat doet de vraag rijzen of dit een geval betreft waarin de ongeldigverklaring betrekking had op de gehele procedure inzake het bestaan van ontwijking. Immers was aanvankelijk niet aan alle voorwaarden voor het vaststellen van ontwijking voldaan. Aangezien belanghebbende in deze procedure niet heeft aangevoerd dat de Commissie niet bevoegd was het onderzoek te heropenen, laat ik dit punt hier verder rusten. Zo nodig kan de Hoge Raad hierover ambtshalve een prejudiciële vraag stellen. De Hoge Raad kan bijvoorbeeld vragen of de gehele procedure ongeldig is en de Commissie derhalve niet opnieuw antidumpingrechten vanwege ontwijking kan instellen, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op het gebrek aan bewijs voor de gestelde ontwijkingspraktijk en de Commissie bij het heropende onderzoek die ontwijkingspraktijk nog steeds niet kan vaststellen, maar wel een andere ontwijkingspraktijk kan vaststellen.
terugbetaling of kwijtschelding. Als de rechter de beschikking vernietigt die de mededeling inhoudt (de uitnodiging tot betaling), gaat die mededeling – en daarmee de betalingsverplichting – van rechtswege teniet. [39] Hiervoor is geen beschikking inzake de terugbetaling of kwijtschelding van de douaneautoriteiten vereist. De douaneautoriteiten hebben dan geen titel meer om de douaneschuld te innen. Die uitspraak brengt overigens niet zonder meer mee dat de boeking van de douaneschuld die aan de betreffende uitnodiging tot betaling ten grondslag ligt, van rechtswege vervalt. [40]
Eurobolt. [41] Zoals ik schreef in de conclusie van 30 juni 2022 was in dat geval de slotsom gerechtvaardigd dat de antidumpingrechten niet wettelijk verschuldigd waren, omdat (1) nog geen verordening was vastgesteld waarbij de antidumpingrechten opnieuw (en met terugwerkende kracht) waren ingesteld en (2) het in die zaak ging om een beroepsprocedure tegen een uitnodiging tot betaling. [42] Om diezelfde redenen heeft de Rechtbank in deze zaak terecht geoordeeld dat – naar de stand van het recht op het moment van het doen van uitspraak – de antidumpingrechten wettelijk niet verschuldigd waren.
Trace Sport SASaldus leest dat de verordening ongeldig is verklaard omdat de Raad niet heeft aangetoond dat individuele ondernemingen betrokken waren bij ontwijkingspraktijken:
Maxcom/City Cycleoverwoog het Hof van Justitie immers:
voor het gehele derde landheeft aangetoond.
als gevolg van praktijken, processen of werkzaamhedenwaarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. Er moet dus een causaal verband bestaan tussen de verandering in de structuur van het handelsverkeer en de ontwijkingspraktijken.
onderdelenvan China naar Sri Lanka geanalyseerd moet worden.
Deichmann, waarop belanghebbende zich beroept in het verweerschrift, heeft dan alleen betrekking op schulden die nog niet of niet geheel zijn geboekt en medegedeeld.
Deichmannstond de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/223 [45] ter beoordeling. Deze verordening is vergelijkbaar met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/1997, omdat daarin de douaneautoriteiten wordt opgedragen verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding aan te houden in afwachting van het heropende onderzoek door de Commissie (zie 4.8). In
Deichmannheeft het Hof van Justitie niet meer geoordeeld dan dat art. 221(3) CDW niet in de weg staat aan het uitvaardigen van zo’n verordening door de Commissie. Ik citeer:
Deichmannwordt dan niet toegekomen.
Puma/Commissie [46] , waarop belanghebbende zich beroept in het verweerschrift, leiden mijns inziens niet tot een andere slotsom. In dit arrest ging het over een vermeende discriminatie van de belanghebbenden ten opzichte van bepaalde producenten-exporteurs. De Raad had namelijk eerder een voorstel van de Commissie tot wederinstelling van antidumpingrechten voor die producenten-exporteurs verworpen. Dat betekende dat de antidumpingrechten voor die producenten-exporteurs niet wettelijk verschuldigd waren. De Raad meende dat het opnieuw instellen van antidumpingrechten afbreuk zou doen aan de legitieme verwachtingen van de betrokken marktdeelnemers. Het voorstel van de Commissie bevatte namelijk een afwijkende verjaringstermijn ten opzichte van de termijn in art. 221(3) CDW (zie ook hierna hoofdstuk 5). Na de tweede ongeldigverklaring van de desbetreffende verordening koos de Commissie voor een andere benadering dan de Raad, waarbij de douaneautoriteiten werden opgedragen de verzoeken tot terugbetaling aan te houden. Het Hof achtte deze wijze niet discriminatoir:
Deichmann. [47] Er is dan geen reden meer om de uitnodiging tot betaling te vernietigen.
5.Verjaring van de douaneschuld
Jumbocarry [49] heeft het Hof van Justitie uiteengezet wanneer art. 103 DWU Pro nog kan worden toegepast op douaneschulden die vóór 1 mei 2016 zijn ontstaan. Deze bepaling, die materiële regels bevat, kan niet worden toegepast op rechtsposities die onder vigeur van het CDW zijn ontstaan en definitief zijn verworven, tenzij uit de bewoordingen, het doel of de opzet van het DWU duidelijk blijkt dat het de bedoeling was dat deze bepaling onmiddellijk op dergelijke situaties van toepassing zou zijn:
Agra [51] leidt zij af dat die (verlengde) verjaringstermijn niet wordt geschorst voor de duur van het beroep. Hierdoor kunnen de antidumpingrechten niet meer aan haar worden medegedeeld.
Agraging het om de vraag of de verlengde navorderingstermijn zoals bedoeld in art. 221(4) CDW in Italië pas kon ingaan op het moment dat het vonnis of arrest in de strafzaak kracht van gewijsde krijgt. Het Hof van Justitie overweegt (cursivering CE):
In het bijzonder eist lid 4 van dit artikel, anders dan lid 3, geen schorsing van de verjaring tijdens de duur van een eventuele beroepsprocedure.