Conclusie
1.Feiten
f293.730,00 (€ 133.288,86) heeft gestort, nadat dit bedrag door de verzekeraars aan Aon was overgemaakt.
2.Procesverloop
NJ2001/391 en 392) (hierna ook: de ‘5 januari-arresten’) in beeld. Volgens [verweerster] is in het hofarrest niet een juiste toepassing gegeven aan de in de 5 januari-arresten verwoorde uitgangspunten. Het hof is voorbijgegaan aan de maatstaf van bewuste roekeloosheid op grond waarvan alleen dan geen beroep op de beperking van de aansprakelijkheidslimiet kan worden gedaan indien de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren en degene die handelt of nalaat zich hiervan bewust is. Ten tijde van het wijzen van het hofarrest was de vraag of dit criterium kon worden omzeild door de kans op het intreden van het gevaar en de bewustheid daarvan uit de omstandigheden van het geval af te leiden. Uit het arrest van Uw Raad van 10 augustus 2012 (
NJ2012/652) zou echter blijken dat dit niet het geval is (waarmee Uw Raad volgens [verweerster] dus de stringente lijn uit de 5 januari-arresten zou hebben bevestigd). Er dient telkens te worden vastgesteld dat de kans op het intreden van het gevaar groter is dan de kans dat dit niet zal intreden, aldus [verweerster] .
Coby/Horn procedurevoort te zetten, maar ervoor heeft gekozen om deze procedure te schikken. De gevolgen van die keuze kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de beroepsfout worden toegerekend. Met betrekking tot de
[betrokkene 1] -procedureheeft de rechtbank als volgt overwogen. De rechtbank heeft in rov. 5.4. geoordeeld dat het verwijt over de ontbrekende grief de vordering van [verweerster] niet kan dragen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de verklaringen van [betrokkene 2] en de directeur van de moedervennootschap van [verweerster] afdoende blijkt dat de verantwoordelijkheid voor de splijtbak was overgelaten aan [betrokkene 2] . Gelet daarop valt naar het oordeel van de rechtbank zonder toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat de procedure gunstiger voor [verweerster] zou zijn uitgevallen indien de advocaten hadden gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat [betrokkene 2] ’s handelen en nalaten aan [verweerster] kan worden toegerekend (rov. 5.4.).
aanzienlijk groteris dan dat dit zich niet zal voordoen en dat [verweerster] [ [verweerster] , A-G] zich van die aanzienlijk grotere kans bewust was.
nietmocht beperken op 80% geschat. De rechtbank motiveert die schatting als volgt:
nietmocht beperken, op 80%.”
niethad geconcludeerd tot bewuste roekeloosheid aan de zijde van de vennootschap. [verweerster] heeft dit betoog niet nader toegelicht. Met name heeft zij niet gesteld wat zij daartoe in hoger beroep zou hebben aangevoerd. Dit lag wel op haar weg, temeer nu de verweten gedraging feitelijk vooral een nalaten betreft. Op grond van de door [verweerster] gestelde feiten kan dan ook niet worden geconcludeerd dat deze beroepsfout tot schade heeft geleid.”
Baijings/Mr. H-arrest, [11] moet worden beoordeeld hoe de Hoge Raad had behoren te beslissen, en in geval van verwijzing, hoe het verwijzingshof had behoren te beslissen. Althans moet het toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van goede en kwade kansen die [verweerster] zou hebben gehad in cassatie, en eventueel in de verwijzingsprocedure, als het cassatieberoep tijdig zou zijn ingesteld (rov. 3.13).
overige proceskosten(onderstreping hof) betreft, heeft de rechtbank overwogen dat deze reeds zijn gemaakt en aldus begroot kunnen worden. Uitgaande van de door [verweerster] opgegeven specificatie van € 38.735,56 oordeelt de rechtbank evenwel dat de door [verweerster] ontvangen uitkering van de AVB-verzekeraars dit bedrag ruimschoots overschrijdt, zodat de vordering wordt afgewezen. Voor zover de grief derhalve erover klaagt dat op deze vordering niet is beslist, berust zij op een onjuiste lezing van het vonnis.
3.Inleidende beschouwingen
Duwbak Linda. [13] In de zaak
Duwbak Lindabracht deze behoefte te ontkomen aan de aansprakelijkheidsbeperking de Staat als mogelijke aansprakelijke partij in beeld. Uiteindelijk stond een relativiteitsoordeel echter aan een succesvolle vordering jegens de Staat in de weg. In de [betrokkene 1] -procedure is met een beroep op bewuste roekeloosheid getracht aan de aansprakelijkheidsbeperking te ontkomen. In de [betrokkene 1] -procedure neemt het hof in zijn arrest van 22 mei 2008, net als de rechtbank, inderdaad aan dat sprake is van – kort gezegd – bewuste roekeloosheid. Dit betekent dat beperking van de aansprakelijkheid van [verweerster] niet aan de orde is. Daarna is te laat cassatieberoep ingesteld. In de zaak Coby/Horn heeft de rechtbank ook aangenomen dat sprake is van bewuste roekeloosheid. Tegen die uitspraak is eveneens appel ingesteld, maar de procedure is in hoger beroep in afwachting van de [betrokkene 1] -zaak op de parkeerrol geplaatst. Na het tardieve cassatieberoep zijn zowel in de [betrokkene 1] -zaak als inzake Coby/Horn schikkingen getroffen.
4.Bewuste roekeloosheid in het vervoerrecht
De uitleg in de 5 januari-arresten
Overbeek/Cigna [36] en het arrest
[C] /Philip Morris c.s. [37] ) heeft Uw Raad uitleg gegeven aan het criterium ‘schade ontstaan door roekeloos handelen of nalaten met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit voortvloeit’. [38] Beide zaken betreffen ladingdiefstal uit vrachtauto’s. De arresten zien beide op art. 8:1108 BW Pro dat voor het wegvervoer hetzelfde regelt als art. 8:1064 BW Pro voor de binnenvaart en dat is ontleend aan art. 29 van Pro het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (vaak aangeduid als het CMR-verdrag). [39] Art. 29 CMR Pro is op zijn beurt gebaseerd op art. 25 van Pro het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (het Verdrag van Warschau) [40] zoals dit luidde na de herziening middels het Haags Protocol. [41] Die bepaling voorzag uitdrukkelijk in het waarschijnlijkheidsbewustzijn als zelfstandig element naast roekeloosheid om aan te geven dat doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking van de vervoerder, die zijn diensten doorgaans verricht voor een vergoeding die in geen verhouding staat tot de waarde van de vervoerde goederen, alleen in uiterste gevallen plaats mag vinden. [42]
Overbeek/Cigna [43] ging het over het vervoer van een container sportkleding van Rotterdam naar Aalsmeer. De container diende op maandag in Aalsmeer te worden afgeleverd. Overbeek haalde – omwille van een privébelang – de container al op vrijdag in Rotterdam op en parkeerde de vrachtauto gedurende het weekend op een verlaten industrieterrein in Gouda. Gedurende het weekend werd de container gestolen. Ladingverzekeraar Cigna stelde dat sprake was van bewuste roekeloosheid. Het hof volgde dat betoog en overwoog daartoe dat het handelen van de chauffeur als roekeloos dient te worden aangemerkt nu de chauffeur zonder enige noodzaak de container heeft opgehaald en op een onbeveiligd industrieterrein heeft geparkeerd. [44] Naar het oordeel van Uw Raad had het hof daarmee evenwel een onjuist criterium gehanteerd. Uw Raad overwoog in dat verband als volgt:
[C] /Philip Morris c.s.stonden de volgende feiten centraal. [C] vervoerde een partij sigaretten in twee opleggers van Nederland naar Italië. De opleggers werden bemand door drie chauffeurs. Op een avond parkeerden de chauffeurs hun vrachtwagens op een parkeerterrein in Italië, omdat zij de geadresseerde in Milaan niet meer tijdig konden bereiken. Tijdens een maaltijd – waarbij de chauffeurs geen zicht hadden op de vrachtwagens – werden de beide opleggers met sigaretten gestolen. [45] Uw Raad overwoog in deze zaak als volgt: [46]
[D] /CGM [47] en
CTV/K-Line. [48] A-G Strikwerda heeft in zijn conclusie voor het arrest
CTV/K-Linenaar mijn mening terecht en treffend opgemerkt dat het criterium bewuste roekeloosheid in het vervoerrecht een drietal elementen kent: [49]
eerste elementis het gevaar dat aan de gedraging gevaar verbonden is en de omstandigheid dat de kans dat dit gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren. In de literatuur wordt het eerste element wel aangeduid als
de drempelvoorwaarde. [51] We komen niet toe aan de twee andere elementen wanneer aan dit eerste element niet is voldaan. In de literatuur wordt verder opgemerkt dat het hier gaat om een objectieve kansrekening. [52] Het eerste element wordt in de cassatiedagvaarding aangeduid als het
objectieve deelcriterium.
subjectieve deelcriteriumgenoemd.
derde elementkwalificeert het gedrag als roekeloos. De kennis van het aan het gedrag verbonden gevaar en het zich bewust zijn dat de kans dat schade op zal treden aanzienlijk groter is dan de kans dat schade zal uitblijven, hebben degene die handelde of naliet van zijn gedrag niet weerhouden.
Subjectieve bewustheid mag worden afgeleid uit objectieve omstandigheden
[C] /AIG [56] stonden de volgende feiten centraal. Een Russische chauffeur, Vasilenko geheten, leverde goederen af aan een ander dan de in de vrachtbrief genoemde persoon, van wie hij de identiteit niet had vastgesteld. Ook werden de douanedocumenten niet op de daarvoor bestemde plaats afgestempeld. De goederen zijn nimmer aangekomen bij de beoogde ontvanger. Rechtbank en hof honoreerden het beroep van de afzender op bewuste roekeloosheid van de vervoerder. [C] voerde in cassatie aan dat niet was komen vast te staan dat de chauffeur daadwerkelijk bekend was dat uit zijn handelen waarschijnlijk schade zou voortvloeien. Uw Raad sauveerde echter het oordeel van het hof dat uit de feiten en omstandigheden een (door de vervoerder niet weerlegd) vermoeden van bewuste roekeloosheid had afgeleid. [57] Hieruit kan worden afgeleid dat het vereiste subjectieve besef van het gevaar in het vervoerrecht mag worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval. Uw Raad overwoog:
[C] /AIGop dat de subjectieve wetenschap mag worden afgeleid uit een schakelredenering waarin objectieve omstandigheden een hoofdrol spelen. Hij refereert vervolgens aan het oordeel van het Hof Amsterdam in de [betrokkene 1] -procedure. Haak komt op grond van het arrest
[C] /AIGtot de slotsom dat Uw Raad het hofarrest in de [betrokkene 1] -procedure in stand zou hebben gelaten. Hij schrijft: [58]
[C] /AIG, A-G] is de beoordeling alsnog, zij het indirect, luce clarius gegeven. De Hoge Raad geeft zelf via de hiervoor vermelde schakelredenering onomwonden blijk van erkenning van de opvatting dat de daadwerkelijke wetenschap van de zeer aanzienlijke kans op schade uit de omstandigheden van het geval kan worden afgeleid.”
Kritiek in de literatuur
[C] /Philip Morris c.s. [60] en door Huydecoper in zijn conclusie voor het arrest
[D] /CGM. [61]
[C] /Philip Morris c.s.Zij lichten hun standpunt als volgt toe: [66]
NJ2001/392 – van uit te gaan, dat bij bewuste roekeloosheid iedere vorm van afweging ontbreekt, omdat de dader de gevolgen op de koop toe neemt. Dat is de door Strikwerda genoemde ‘koude onverschilligheid’ (
cold indifference)). De kern is niet of bij de vervoerder het bewustzijn aanwezig was dat de kans op schade aanzienlijk groter was dan de kans op het tegenovergestelde. In retrospectie kan dit ook niet goed worden vastgesteld. Van roekeloosheid is pas sprake als de dader in het besef dat zijn lichtvaardig handelen of nalaten tot schade kan leiden, daarin nodeloos volhardt. De Duitse rechtspraak spreekt van bewuste lichtvaardigheid door het ontbreken van noodzakelijke voorzorgsmaatregelen. Deze laatste kunnen worden gerelateerd aan de omstandigheden van het geval, zoals de kostbaarheid van de lading, de diefstalgevoeligheid en de te betrachten voorzichtigheid. Daarom valt er veel voor te zeggen om, in navolging van het Duitse Bundesgerichtshof, voor de CMR-vervoerder die wordt geconfronteerd met een beroep van diens wederpartij op art. 29 CMR Pro, een verzwaarde motiveringsplicht omtrent de door hem ter bescherming van de lading getroffen veiligheidsmaatregelen te laten gelden. Juist door alle omstandigheden een rol te laten spelen bij de beoordeling van de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken, ligt het op de weg van degene die voorzorgsmaatregelen heeft moeten nemen, aannemelijk te maken dat dit in voldoende mate is gebeurd. Het voornoemde criterium laat hiervoor voldoende ruimte. Op deze manier kan – in ieder geval tussen de belangrijke handelspartners Nederland en Duitsland – forumshopping worden ontmoedigd.
NJ2001/392 de juiste weg heeft gewezen aan de civiele kamer van de Hoge Raad.”
Kritiek resulteert niet in een andere uitleg van bewuste roekeloosheid.
[E] /Traxys c.s. [67] blijkt dat de kritiek in de literatuur Uw Raad niet tot een andere uitleg heeft gebracht. Uw Raad heeft de uitleg van het begrip bewuste roekeloosheid uit de 5 januari-arresten onverkort gehandhaafd en de in de literatuur gedane voorstellen tot relativering of nuancering dus niet gevolgd.
[E] /Traxys c.s.ging het om het volgende. [E] had opdracht gekregen om een lading met een waarde van bijna een miljoen dollar te vervoeren van Moerdijk naar België. De chauffeur parkeerde de trekker met oplegger één nacht op een parkeerplaats van een afgesloten industrieterrein bij de Rotterdamse haven. Die nacht werd de vrachtauto gestolen. Daartoe werd het portierslot geforceerd en het stuurcontactslot verbroken. Drie jaar eerder was vanaf hetzelfde parkeerterrein eveneens een trekker met lading van [E] ontvreemd. Naar het oordeel van het hof was sprake van bewuste roekeloosheid. Het hof achtte daartoe van belang dat diefstal van een vrachtauto met een dure lading in en rond de Rotterdamse haven een zo veel voorkomend probleem is dat een vervoerder daarop ten zeerste bedacht dient te zijn, dat [E] eerder met soortgelijke diefstal was geconfronteerd en dat de vrachtwagen niet was voorzien van een startonderbreker of alarmsysteem. Uw Raad vernietigde de uitspraak van het hof. Naar het oordeel van Uw Raad kunnen een reële kans op diefstal en bewustheid van dit gevaar van diefstal niet het oordeel dragen dat sprake is van bewuste roekeloosheid. [68]
[E] /Traxys c.s.nog kritiek geleverd in de doctrine op het criterium van de 5 januari-arresten. Claringbould heeft er bijvoorbeeld op gewezen dat het eerste, objectieve element van de drempelvoorwaarde die zoals eerder al aangegeven (hiervoor randnummers 4.15 en 4.21) een vorm is van objectieve kansrekening, problematisch is omdat deze drempelvoorwaarde in bepaalde gevallen (zoals ‘diefstal van parkeerplaats’-zaken) praktisch gezien eigenlijk niet gehaald zal kunnen worden. [69] Claringbould betoogt in de context van schadevaringen buiten een betonning dat deze objectieve kansrekening geen rol zou moeten spelen in het geval zeker is dat het gevaar bestaat. Hij wijst er daartoe op dat betonning een vaststaand gevaar aanduidt in de vorm van gebrek aan diepgang of een scheepswrak (het wrak
ligter; er
isondiepte), terwijl er in de diefstalzaken slechts een (meer of minder kleine) kans is dat een dief langskomt. Dit neemt naar zijn mening niet weg dat ook in het geval sprake is van een vaststaand gevaar, en de drempelvoorwaarde naar zijn mening dus geen zelfstandige betekenis heeft, beoordeeld moet worden of is voldaan aan de andere elementen van bewuste roekeloosheid. [70] Janssen bepleit in een artikel in het
NTHRin 2013 (in de lijn van Hammerstein en De Meij in 2011) dat het beter zou zijn als er meer ruimte komt voor het doorbreken van de aansprakelijkheidsbeperking in het vervoerrecht. Janssen neemt daartoe afstand van de drempelvoorwaarde in de huidige vorm. Hij pleit ervoor haar te vervangen door een weging van alle relevante omstandigheden van het geval, waarbij ook de mate van verwijtbaarheid en de aard en ernst van de (te verwachten) schade van belang zijn [71] en voorts aan bod kan komen of de betreffende persoon instructies heeft genegeerd of veiligheidsvoorschriften heeft geschonden. [72] Op die manier zou Nederland beter aansluiten bij de andere CMR-landen, waaronder Frankrijk. Janssen wijst erop dat in Frankrijk ingevolge nieuwe wetgeving de term
faut lourdeis vervangen door
faute inexusable. Hieruit trekt hij de conclusie dat de schuldgraad in Frankrijk duidelijk zwaarder is geworden en het verschil met Nederland (dus) is verkleind. [73] Claringbould zit echter op een ander spoor dan de zojuist genoemde auteurs. Hij heeft er in een bijdrage in het
NTHRjuist de nadruk op gelegd dat de huidige uitleg van het criterium van Uw Raad wel zorgt voor rechtszekerheid. Hij wijst erop dat er nu in Nederland relatief weinig over het leerstuk bewuste roekeloosheid behoeft te worden geprocedeerd. [74] Hij voegt daaraan toe dat in het overzicht van rechtsvergelijking vaak wordt vergeten dat in België doorbreking alleen bij ‘opzet’ aan de orde komt. Verder heeft Claringbould herhaald dat de objectieve kansrekening geen zelfstandige betekenis heeft in het geval zeker is dat het gevaar bestaat (zoals bij het rijden door rood licht, of in het eerdergenoemde geval van het varen buiten betonning). Janssen heeft daar in een naschrift tegenin gebracht dat de toe te passen maatstaf naar zijn mening niet afhankelijk behoort te zijn van de casuïstiek. Dat zou juist wel het geval zijn wanneer de drempelvoorwaarde uitsluitend geldt indien sprake is van een vaststaand gevaar. [75] Al deze in 2013 geuite kanttekeningen en kritiek met betrekking tot de toepassing van het criterium voor bewuste roekeloosheid zouden echter niet hebben voorgelegen bij de beoordeling van een in 2008 tijdig ingesteld cassatieberoep in de [betrokkene 1] -zaak.
[C] /AIGuit 2009 volgt dat de bewustheid mag worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden van het geval;
[E] /Traxys c.s.uit 2012 blijkt evenwel dat de kritiek niet heeft geleid tot een koerswijziging en dat Uw Raad de in de 5 januari-arresten aanvaarde uitleg van het begrip bewuste roekeloosheid handhaaft. Ook op het arrest
[E] /Traxys c.s.is kritiek geuit. Die kritiek dateert echter uit 2013 en had bij de beoordeling van een in 2008 tijdig ingesteld cassatieberoep in de zaak [betrokkene 1] (de situatie zonder de beroepsfout) niet kunnen worden betrokken.
5.De beroepsaansprakelijkheidsaspecten
metde beroepsfout en de hypothetische situatie
zonderde beroepsfout. [76]
Baijings/mr. H-arrest blijkt dat in een zodanig geval in beginsel moet worden beoordeeld hoe in de situatie zonder de beroepsfout zou zijn beslist, althans dat het toewijsbare bedrag moet worden geschat op basis van de goede en kwade kansen in de situatie dat het rechtsmiddel tijdig was aangewend. Uw Raad overwoog: [78]
Baijings/mr. H-arrest heeft toenmalig A-G Bakels de beide opties (‘trial within a trial’ en verlies van een kans) mooi gepresenteerd. Volgens Bakels ligt in het geval van een zuivere rechtsvraag de ‘trial within a trial’- methode het meest voor de hand. In zijn conclusie schrijft hij hierover het volgende: [81]
[C] /AIGvolgt dat de bewustheid mag worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden van het geval. Uit het arrest
[E] /Traxys c.s.(2012) blijkt dat Uw Raad de in de 5 januari-arresten aanvaarde uitleg van het begrip bewuste roekeloosheid heeft gehandhaafd. De kritiek uit 2013 op het arrest
[E] /Traxys c.s.zou bij de beoordeling van een in 2008 tijdig ingesteld cassatieberoep in de [betrokkene 1] -zaak niet kunnen worden betrokken. In een eventuele procedure na vernietiging en verwijzing hadden partijen in beginsel geen nieuwe stellingen kunnen betrekken. [82] De zaak moet immers worden beoordeeld in de stand waarin zij verkeerde, voordat de vernietigde uitspraak werd gewezen. [83] Het komt mij daarom voor dat de vraag hoe Uw Raad op de in 2008 geformuleerde cassatieklachten zou hebben beslist en hoe vervolgens – in het geval van een vernietiging – door het verwijzingshof zou zijn geoordeeld met een voldoende mate van zekerheid kan worden beantwoord. Het hof kon de zaak mijns inziens dan ook aan de hand van de ‘trial within a trial’-methode beoordelen.
onderdelen 1 en 2 van het principaal cassatieberoep);
onderdeel 3 van het principaal cassatieberoep);
onderdeel 4 van het princi-paal cassatieberoep en onderdeel 1 van het incidenteel cassatieberoep);
onderdeel 2 van het incidenteel cassatieberoep);
onderdelen 3.1 en 3.2 van het incidenteel cassatieberoep) en het oordeel dat [verweerster] niet voldoende heeft onderbouwd dat de uitkering van de verzekeraars niet zou strekken ter delging van deze kosten (
onderdeel 3.3 van het incidenteel cassatieberoep).
6.Beoordeling van het principaal cassatieberoep
bewuste roekeloosheid. Het derde onderdeel ziet op het thema
storting in het beperkingsfonds. Het vierde onderdeel gaat over het thema
de ontbrekende grief.
subonderdeel 1.abetogen de advocaten dat het hof niet zou hebben gerespondeerd op twee verweren waaruit ook zou volgen dat [verweerster] onbeperkt aansprakelijk was jegens [betrokkene 1] . Het gaat hierbij in de eerste plaats om het verweer dat [verweerster] sowieso onbeperkt aansprakelijk was op grond van de tussen [verweerster] en [betrokkene 1] van toepassing zijnde Algemene Duwbakconditiën 1988. [84] In de tweede plaats gaat het hierbij om het verweer dat [verweerster] jegens [betrokkene 1] onbeperkt aansprakelijk was op grond van de positie van [verweerster] als werkgever en haar tekortschieten in de nakoming van verplichtingen uit de Arbeidsomstandighedenwet. [85]
subonderdeel 1.avergeefs is voorgesteld.
subonderdeel 1.bgeen doel treft.
subonderdeel 1.cwordt aangedragen dat het hof onvoldoende zou zijn ingegaan op het betoog van de advocaten dat Uw Raad, gelet op de aard, de ernst en de risico’s van het verzuim van [verweerster] , het oordeel van het hof in de [betrokkene 1] -procedure zou hebben gesauveerd. Daartoe wijzen de advocaten op hun stelling dat de tekst van het [betrokkene 1] -arrest hiervoor ruimte gaf, omdat de aan de 5 januari-arresten [102] ontleende maatstaf in rov. 4.3 voorop was gesteld en op hun stelling dat Uw Raad zich mede zou hebben laten leiden door het waarschijnlijke resultaat in een verwijzingsprocedure. [103]
subonderdeel 1.cvergeefs is voorgesteld.
subonderdeel 1.dbouwt voort op de in randnummer 6.14 beschreven klacht van subonderdeel 1.b. In zoverre bevat subonderdeel 1.d geen zelfstandige klacht. Het tweede gedeelte van subonderdeel 1.d voert aan dat het hof in rov. 3.19-3.21 uitsluitend heeft geoordeeld over de vraag in hoeverre Uw Raad de cassatieklachten over het zogenoemde objectieve deelcriterium gegrond zou hebben bevonden, terwijl het hof in rov. 3.25-3.27 heeft beoordeeld of in een hypothetische verwijzingsprocedure anders zou zijn beslist over het zogenoemde subjectieve deelcriterium. Het arrest zou daarom onjuist of ontoereikend gemotiveerd zijn.
subonderdeel 1.devenmin.
tweede onderdeelkomt op tegen rov. 3.17, 3.19, 3.20-3.21, 3.23 en 3.26. In die overwegingen zou het hof zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het criterium ‘roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien’ van (thans) art. 8:1064 BW Pro. Het hof zou daarom ten onrechte hebben geoordeeld dat Uw Raad het [betrokkene 1] -arrest had behoren te vernietigen en dat het verwijzingshof had behoren te oordelen dat [verweerster] haar aansprakelijkheid mocht beperken. Daaraan wordt het volgende ten grondslag gelegd.
[C] /AIG(2009) volgt dat de subjectieve wetenschap kan worden afgeleid uit objectieve omstandigheden. In 2012 hanteerde Uw Raad – nog steeds in de context van ladingdiefstal – dezelfde uitleg van het criterium als in 2001. In de literatuur is, onder meer door Claringbould, [105] kritiek geleverd op de strengheid van het objectieve deelcriterium. Claringbould wijst op zaken waarin schade het gevolg is van het negeren van aanwijzingen over de vaarroute in verband met ondiepte of wrakken. Volgens de advocaten zou hetzelfde gelden voor het inzetten van een vervoermiddel voor een bepaald gebruik in de wetenschap dat het vervoermiddel voor dat gebruik niet (zonder verdere maatregelen) geschikt is. Zodanig gebruik kan één of meer keren goed gaan, maar zal uiteindelijk verkeerd aflopen. In dergelijke gevallen zou moeten worden onderzocht of sprake is van roekeloosheid met de wetenschap dat schade waarschijnlijk is. De door het hof in de zaak [betrokkene 1] gehanteerde uitleg van art. 8:1064 BW Pro zou daarom de juiste zijn voor gevallen als de onderhavige, waar sprake is van een vaststaand gevaar, dat inherent is aan (een bepaald gebruik van) het vervoermiddel, en waarvan waarschijnlijk is dat het zich zal verwezenlijken, maar onzeker is op welk moment dat gebeurt. De advocaten hebben verwezen naar vindplaatsen in hun processtukken. [106]
ligter; er
isondiepte), terwijl er in de diefstalzaken slechts een kans is dat een dief langskomt (hiervoor randnummer 4.28). Ook wanneer een vrachtwagenchauffeur door rood licht rijdt, staat volgens Claringbould vast dat het gevaar zich voordoet. Die redenering zou, hoewel het artikel van Claringbould daarop niet ziet, doorgetrokken kunnen worden naar de inzet van een vervoermiddel dat voor het betreffende vervoer ondeugdelijk is. In dat geval is eveneens sprake van een gevaar dat zich zeker voordoet. Claringbould benadrukt dat, ook wanneer sprake is van een gevaar dat zich zeker voortdoet en de drempelvoorwaarde naar zijn mening dus geen toepassing vindt, beoordeeld moet worden of is voldaan aan de andere elementen van bewuste roekeloosheid (hiervoor randnummer 4.28).
[C] /AIG(2009) en het arrest
[E] /Traxys c.s.(2012) geen onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin zeker is dat het gevaar zich voordoet en gevallen waarin slechts een kans bestaat dat het gevaar zich voordoet. De door de advocaten aangehaalde bijdrage van Claringbould dateert uit 2012 en zou bij de beoordeling van een in 2008 ingesteld cassatieberoep dus niet rechtstreeks hebben voorgelegen. Bovendien is in het [betrokkene 1] -arrest niet vastgesteld dat de duwbak inherent ongeschikt zou zijn voor het vervoer van nat spuitzand. Dat vloeit ook niet (voor [verweerster] en derden) kenbaar voort uit de gestelde feiten en omstandigheden. Om die redenen zou Uw Raad het hofarrest inzake [betrokkene 1] niet op grond van de opvatting van Claringbould in stand hebben gelaten. Ook anderszins brengt het arrest
[C] /AIGmij niet tot de conclusie dat Uw Raad het hofarrest inzake [betrokkene 1] in stand zou hebben gelaten als hiertegen tijdig cassatie was ingesteld. Uit het arrest
[C] /AIGvolgt dat de subjectieve wetenschap kan worden afgeleid uit objectieve omstandigheden. Haak concludeert daaruit, mijns inziens op zich terecht, dat het cassatiemiddel in de zaak [betrokkene 1] geen doel zou hebben getroffen voor zover het aanvoert dat subjectieve wetenschap niet louter uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid (hiervoor randnummer 4.20). Dit laat echter onverlet dat het hof in het [betrokkene 1] -arrest de lat te laag heeft gelegd door te onderzoeken of sprake was van een (zeer) aanzienlijk gevaar van kapseizen. In het [betrokkene 1] -arrest had beoordeeld moeten worden of de kans dat dit gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren. Het tardieve cassatieberoep is – zo volgt uit de onbestreden vaststelling in rov. 3.15 over de inhoud van het cassatiemiddel – mede op die leest geschoeid. Het oordeel van het hof in deze beroepsaansprakelijkheidszaak dat Uw Raad op die grond tot cassatie had behoren over te gaan, acht ik daarom niet onjuist of onbegrijpelijk.
tweede onderdeelfaalt daarom.
derde onderdeelricht zich tegen het oordeel in rov. 3.30-3.33 en 3.54-3.55 dat er geen betalingen zijn gedaan onder de verzekeringspolis die in mindering moeten worden gebracht op de schadevergoeding die [verweerster] vordert van de advocaten. De strekking van het onderdeel is niet hiertoe beperkt dat geen sprake is van roekeloosheid van de zijde van [verweerster] en dat [verweerster] daarom aanspraak heeft op de polis. De strekking van het onderdeel is mede dat indien [verweerster] in haar verhouding met [betrokkene 1] roekeloos handelde, het een aparte beoordeling vergt of dit ook in de verhouding tussen [verweerster] en de verzekeraars in de weg staat aan dekking.
“zolang de door [ [verweerster] ] vergoede schadebedragen en gemaakte kosten de opbrengsten (verre) overtreffen”. De uitkering van Cascoverzekeraaars behelst namelijk een vergoeding aan [verweerster] in verband met het verwezenlijkte risico van aansprakelijkheidsschade. De beroepsfout is daar niet van invloed op geweest en zodoende kan [verweerster] niet van de advocaten haar schade claimen zonder de uitkering van de Cascoverzekeraars daarop in mindering te brengen. Aldus Bloembergen: (…)
mutatis mutandis, ter zake de over het beperkingsbedrag verschenen wettelijke rente. Zulks behoeft, gelet op de beperkte aard van de ter zake door [verweerster] geformuleerde grief, geen nadere toelichting.”
derde onderdeel.
vierde onderdeelkomt daartegen op. Dit onderdeel is ingesteld onder de voorwaarde dat [verweerster] met succes (incidenteel) cassatieberoep instelt tegen het oordeel van het hof dat uit het ontbreken van deze grief geen schade is voortgevloeid.
7.Beoordeling van het incidenteel cassatieberoep
de ontbrekende grief. Het tweede onderdeel betreft het thema
de schikking in de zaak Coby/Horn. Het derde onderdeel gaat over het thema
de advocaatkosten en de buitengerechtelijke kosten.
eerste onderdeelkeert zich tegen de overweging dat, ook wanneer op grond van een daartoe strekkende grief zou zijn geoordeeld dat het handelen van [betrokkene 2] niet aan [verweerster] kan worden toegerekend, daarmee bepaald niet vast staat dat het hof in de [betrokkene 1] -procedure had geoordeeld dat geen sprake is van bewuste roekeloosheid.
bepaald niet vaststaatdat het hof in de [betrokkene 1] -zaak niet had geconcludeerd dat [verweerster] niet bewust roekeloos heeft gehandeld, te strenge eisen hebben gesteld aan de stelplicht van [verweerster] . Bovendien zou het oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de overweging in rov. 3.11 dat in de [betrokkene 1] -procedure het handelen van [betrokkene 2] bepalend is geweest voor het oordeel van de rechtbank en het hof.
niethad geconcludeerd tot bewuste roekeloosheid aan de zijde van de vennootschap en dat [verweerster] haar andersluidende betoog niet heeft toegelicht en dat zij meer in het bijzonder niet heeft gesteld wat zij daartoe in hoger beroep zou hebben aangevoerd. Het onderdeel betoogt terecht dat het hof daarmee te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [verweerster] . In de [betrokkene 1] -procedure lag het op de weg van [betrokkene 1] om aan te tonen dat sprake was van bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verweerster] . De rechtbank en het hof hebben dit beroep op bewuste roekeloosheid in de [betrokkene 1] -procedure gehonoreerd en hierbij beslissende betekenis toegekend aan het handelen van [betrokkene 2] . In het geval de genoemde grief was geformuleerd en doel had getroffen, zou het niet op de weg hebben gelegen van [verweerster] om aan te voeren waarom
geensprake is van bewuste roekeloosheid, maar op de weg van [betrokkene 1] om nader te adstrueren dat het handelen van [betrokkene 2] aan [verweerster] kan worden toegerekend en/of dat op een andere grond sprake is van bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verweerster] . Het is niet gerechtvaardigd in deze beroepsaansprakelijkheidszaak hogere eisen te stellen aan de stelplicht van [verweerster] dan in de onderliggende procedure voor [verweerster] zouden hebben gegolden indien de beroepsfout niet zou zijn gemaakt. [112] Daarom kan in de onderhavige beroepsaansprakelijkheidsprocedure niet van [verweerster] worden verlangd dat zij zou toelichten dat het hof
nietzou hebben geconcludeerd tot bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verweerster] en/of dat zij zou stellen wat zij daartoe in hoger beroep zou hebben aangevoerd.
tweede onderdeelis gericht tegen rov. 3.29 waarin is overwogen dat de keuze om de zaak tegen de eigenaren van Coby/Horn in der minne te regelen, een (begrijpelijke) keuze is die (niettemin) voor rekening en risico van [verweerster] moet blijven.
subonderdeel 2.1zou het hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het
condicio sine qua non-verband door te beredeneren wat [verweerster] in de feitelijke situatie – uitgaande van de beroepsfout – ook had kunnen doen, en daarna te oordelen dat de (weliswaar alleszins begrijpelijke) keuze van [verweerster] om de zaak Coby/Horn te regelen voor haar eigen rekening blijft. Volgens het subonderdeel had het hof namelijk moeten beoordelen of [verweerster] de (respectievelijk dezelfde) schikking met de eigenaren van de Coby/Horn had getroffen als de fout wordt weggedacht. Althans zou niet begrijpelijk zijn waarom [verweerster] dezelfde schikking zou hebben getroffen in de Coby/Horn-zaak als in de [betrokkene 1] -procedure, indien het hof wel de grief over [betrokkene 2] had gehonoreerd respectievelijk had beslist dat er geen sprake is van bewuste roekeloosheid van [verweerster] dan wel de advocaten wel tijdig cassatieberoep hadden ingesteld en het verwijzingshof had beslist dat er geen sprake is van bewuste roekeloosheid van [verweerster] .
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de beroepsfout in de [betrokkene 1] -procedure en het treffen van de minnelijke regeling in de zaak Coby/Horn. Het hof gaat naar mijn oordeel niet uit van het ontbreken van dit
condicio sine qua non-verband. Dit maak ik op uit de door het hof gekozen bewoordingen. Het oordeel dat de schikking voor rekening en risico van [verweerster] moet blijven, duidt immers niet op de voor de beoordeling van het
condicio sine qua non-verband kenmerkende ‘wegdenktournure’ (zou deze schikking ook zonder de beroepsfout zijn getroffen?). In de kern komt het oordeel hierop neer dat de schikking mede berust op een eigen keuze van [verweerster] en dat de beroepsfout niet noopte tot het maken van de keuze om in de zaak Coby/Horn een minnelijke regeling te treffen. Het oordeel van het hof berust mijns inziens dan ook op een toepassing van art. 6:98 BW Pro (toerekening naar redelijkheid). [113] Dit betekent dat het hof niet behoefde te responderen op het betoog van [verweerster] dat zij de schikking niet (op dezelfde voorwaarden) zou hebben gesloten als in de zaak [betrokkene 1] in haar voordeel was beslist en dat er daarom
condicio sine qua non-verband bestaan tussen de beroepsfout in de zaak [betrokkene 1] en de schikking inzake Coby/Horn.
derde onderdeelis gericht tegen rov. 3.34-3.36 waarin het hof heeft geoordeeld (1) dat de rechtbank, anders dan [verweerster] aanvoert, heeft beslist op de vorderingen inzake de advocaatkosten en (2) dat de advocaatkosten die [verweerster] in de [betrokkene 1] -procedure heeft gemaakt niet door de advocaten behoeven te worden vergoed aangezien [verweerster] onvoldoende heeft onderbouwd dat, en op grond waarvan, de AVB-verzekering – waarbij [verweerster] kennelijk het oog heeft op de aansprakelijkheidsdekking van de cascoverzekering (hiervoor randnummer 1.3) [114] – niet zou strekken ter delging van de door haar gevorderde kosten.
inrechte in de zaken tegen [betrokkene 1] en Coby/Horn gemaakte kosten niet toewijsbaar is; [119]
GRIEF VII
niethet geval zou zijn geweest, heeft te gelden dat – nu [verweerster] niet (gemotiveerd) heeft gegriefd tegen het in rechtsoverweging 5.23 van het vonnis vervatte oordeel van de rechtbank – in het kader van dit hoger beroep vaststaat dat [verweerster] geen vergoeding kan claimen van de advocaatkosten die zij heeft gemaakt in de procedure tegen de Cascoverzekeraars.
subonderdeel 3.2.
i) de omvang van de [betrokkene 1] -claim moest plotseling behandeld en beoordeeld worden; (
ii) er moesten maatregelen tegen de executie-maatregelen van [betrokkene 1] worden genomen; (
iii) de haalbaarheid van verder procederen tegen [betrokkene 1] moest worden beoordeeld, (
iv) de haalbaarheid en wenselijkheid van het reactiveren van de zaak tegen Coby/Horn moest worden beoordeeld; (
v) de beroepsaansprakelijkheidsclaim op Boekel & Houthoff moest worden beoordeeld; (
vi) hiertoe moest een correspondentiedossier van vier ordners worden doorgeploegd, evenals de procesdossiers in alle limiterings- en renvooiprocedures, waaronder niet alleen de onderhavige maar ook die bij de rechtbank Rotterdam hadden gelopen; (
vii) dit alles in het licht van het feit dat het hier ging om een proefprocedure waar de hele natte advocatuur naar uitkeek, maar waar het dus niet ging om een beantwoorde rechtsvraag, en dan wel in de context van een mislukte cassatie; (
viiii) het dossier over de Cascodekking moest worden opgebouwd (Boekel bleek niet over de complete polis te beschikken, die moest door AON van microfiches worden afgedrukt en dit dossier moest worden beoordeeld; (
ix) daarnaast dienden er gesprekken en onderhandelingen met de eventueel betalende kant (Cascoverzekeraars, BA-verzekeraars van Boekel & Houthoff, AVB-verzekeraars) en de claimende kant ( [betrokkene 1] , Coby/Horn en de Staat) te worden opgetuigd, voorbereid en gevoerd en (
x) uiteindelijk dienden de onderhavige procedures te worden gevoerd.”
inrechte in de zaken tegen [betrokkene 1] en Coby/Horn gemaakte kosten niet toewijsbaar is. Daartoe wordt louter verwezen naar de volgende passage in randnummer 155. van de memorie van grieven: “In dit verband dient eerst te worden nagegaan of, en zo ja, in hoeverre de
volledigekosten van beide procedures door [verweerster] als schade kunnen worden verhaald.” (cursivering toegevoegd door cassatieadvocaat [verweerster] ). Die passage maakt mijns inziens niet voldoende inzichtelijk op welke grond [verweerster] bezwaar heeft tegen het oordeel van de rechtbank dat de advocaatkosten die [verweerster] maakt in de onderhavige procedure worden vergoed middels het systeem van de forfaitaire proceskostenvergoeding.
subonderdeel 3.2geen doel treft.
subonderdeel 3.3af.
8.Afronding
bewuste roekeloosheid:in het licht van de 5 januari-arresten en de arresten
[C] /AIGen
[E] /Traxys c.s.mocht het hof tot het oordeel komen dat in het hypothetische geval, dat tijdig cassatieberoep was ingesteld in de [betrokkene 1] -zaak, had behoren te worden beslist dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van bewuste roekeloosheid;
de storting in het beperkingsfonds:het hof mocht gezien de gedingstukken op de voet van art. 642s Rv oordelen dat de storting in het beperkingsfonds niet ten goede is gekomen aan [verweerster] , [betrokkene 1] en/of Coby/Horn.
de ontbrekende grief: mijns inziens slaagt de klacht van [verweerster] tegen het oordeel van het hof dat onvoldoende is gebleken dat er is schade is voortgevloeid uit het ontbreken van de grief over de rol van [betrokkene 2] . Bij deze klacht bestaat echter geen belang, omdat het hof al heeft geoordeeld dat, in het geval de beroepsfout van het overschrijden van de cassatietermijn niet zou zijn gemaakt, (na cassatie en verwijzing) zou zijn geoordeeld dat niet is voldaan aan het criterium van bewuste roekeloosheid en dat [verweerster] derhalve haar schade als gevolg van de schikking met [betrokkene 1] op de advocaten mag verhalen. De voorwaardelijke klacht van de advocaten tegen het oordeel dat op dit punt sprake is van een beroepsfout behoeft dan ook geen behandeling;
de schikking in de zaak Coby/Horn: de overweging van het hof dat de keuze van [verweerster] om een schikking te treffen voor haar rekening en risico dient te blijven, berust op een toepassing van art. 6:98 BW Pro (toerekening naar redelijkheid). Het hof gaat dus niet uit van het ontbreken van
condicio sine qua non-verband. De klacht dat het hof ten onrechte voorbij zou zijn gegaan aan het betoog over het bestaan van condicio-sine-qua-non-verband tussen de beroepsfout en de schikking, mist daarom feitelijke grondslag. Verder heeft het hof niet voorbij gezien aan (essentiële) stellingen van [verweerster] over omstandigheden die in het kader van de toerekening naar redelijkheid relevant kunnen zijn;
de advocaatkosten en de buitengerechtelijke kosten: het hof heeft geen onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de grieven van [verweerster] op dit punt. Het beroep van [verweerster] op art. 6:43 lid 2 BW Pro (over de toerekening van betalingen) faalt, omdat in cassatie niet voor het eerst een beroep kan worden gedaan op een rechtsregel die een onderzoek van feitelijke aard vergt.