Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
1 december 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de verdachte rechtspersoon terecht werd veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van vennootschapsbelastingaangiften over de jaren 2004 en 2005. De verdachte gaf verliezen op die niet meer verrekenbaar waren vanwege een belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang in de vennootschap, terwijl dit volgens het hof evident was.
De verdediging voerde aan dat er sprake was van een fiscaal pleitbaar standpunt, mede omdat de verdachte zich had laten adviseren door professionals en er geen jurisprudentie bestond over de materie. Het hof verwierp dit verweer op grond van de feiten, waaronder de inhoud en geheimhouding van een zogenaamde side-letter die bedoeld was om de fiscale regels te omzeilen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de verdachte niet redelijkerwijs kon menen dat de aangiften juist waren en dat er geen fiscaal pleitbaar standpunt bestond. Daarbij werd verwezen naar eerdere jurisprudentie over de pleitbaarheid van fiscale standpunten en het vereiste van opzet bij het doen van onjuiste aangiften. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens opzettelijk onjuist doen van vennootschapsbelastingaangiften zonder fiscaal pleitbaar standpunt.