Conclusie
Ten aanzien van het onder zaak A, feit 1 tenlastegelegde (zaaksdossier Perugia):
De namens de verdachte ingediende middelen
eerste middelklaagt in de kern dat het hof is afgeweken van het door de verdediging aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de afspraken met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] om verschillende redenen niet rechtmatig waren, terwijl het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen aan te geven waarom het hiervan is afgeweken, althans dat het afwijken van dit standpunt in het licht van de aan te leggen rechtmatigheidstoets onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is. Vervolgens zou het hof ten onrechte hebben voortgeborduurd op deze beperkte rechtmatigheidstoets wat betreft de beslissingen (toezeggingen) van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de voornoemde getuigen.
kroongetuige [getuige 1]is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.
kroongetuige [getuige 2]is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.
De rechter-commissaris toetst op een afstandelijker wijze of het door de officier van justitie gepresenteerde voornemen op basis van de aan hem verstrekte informatie verantwoord en rechtmatig kan worden geacht.” En hij treedt niet in de beoordeling of “
het maken van een afspraak het enige en juiste middel is, dan wel een andere opsporingsstrategie is aangewezen”. Bovendien is overwogen dat een afspraak vooral tot stand zal komen in een vroege fase van de opsporing waarin nog niet veel onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn noch ter beschikking kunnen worden gesteld. Het oordeel van de rechter-commissaris is gebaseerd op de dan bekende feiten en omstandigheden. Daardoor is het voorlopig van aard. Niettemin is dit oordeel van de rechter-commissaris van groot belang. Op diverse plaatsen in de parlementaire stukken blijkt dat door de minister is gezegd dat, met de invoering van een rechterlijke toetsing voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak, uitvoering is gegeven aan een unaniem door de Tweede Kamer uitgesproken wens bij de aanvaarding van de motie-Kalsbeek. Het zou aldus één van de vele vormen zijn waarin controle en transparantie in het proces van opsporing en vervolging tot uitdrukking moesten komen.
Weliswaar blijft de zittingsrechter eveneens bevoegd de totstandgekomen afspraak alsnog af te keuren, maar een dergelijke situatie zal zich redelijkerwijs pas voordoen indien er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de gemaakte afspraak in het fundament aantasten en die de rechter-commissaris ten tijde van zijn toetsing niet bekend waren (zoals bedrog van de zijde van de criminele getuige of bewuste misleiding door openbaar ministerie of politie).
tweede middelklaagt over de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat samengevat inhoudt dat met de totstandkoming van de kroongetuigeregeling is beoogd een gesloten systeem in de wet neer te leggen en het opportuniteitsbeginsel is ingeperkt, zodat enkel toegezegd kan worden dat het Openbaar Ministerie strafvermindering zal vorderen, terwijl het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het van dit standpunt is afgeweken, althans dat de afwijking hiervan onjuist is, zodat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verschillende beslissingen kon nemen op basis van het opportuniteitsbeginsel en dat deze niet de rechtmatigheid van de afspraken met deze getuigen aantasten, hetgeen nietigheid tot gevolg heeft.
NJ2012/190. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad stilgestaan bij welke toezeggingen toelaatbaar zijn in het kader van art. 226g Sv:
derde middelklaagt dat het hof heeft nagelaten te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat met de totstandkoming van art. 226g en 226h Sv, mede in het licht van art. 226j, derde lid Sv, beoogd is te voorzien in een rechterlijke toetsing van getuigenbeschermingsmaatregelen door de rechter-commissaris en deze hierover moet worden geïnformeerd door het Openbaar Ministerie, althans dat de verwerping van dit standpunt onjuist is dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, waardoor het gerechtshof de afspraken met [getuige 1] en [getuige 2] op dit punt ten onrechte rechtmatig heeft geacht en hieraan geen strafvorderlijke sancties heeft verbonden.
vierde middelklaagt over de beslissing van het hof inhoudende dat het Openbaar Ministerie gebruik mocht maken van zijn aan art. 414 Sv Pro ontleende bevoegdheid bescheiden met betrekking tot kroongetuige [getuige 2] te overleggen, nu het hof het verzoek van de verdediging om dit te beletten ten onrechte heeft afgewezen en het oordeel van het hof dat geen sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel niet toereikend is gemotiveerd.
nietoverleggen van die nieuwe bescheiden door de advocaat-generaal in strijd komen met beginselen van een behoorlijke procesorde.
niet– reeds nu – overleggen van de bedoelde bescheiden door de advocaat-generaal in strijd komen met de beginselen van de procesorde.
niette beletten.
Toetsing proportionaliteit door de rechter-commissaris
vijfde middelklaagt dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat de rechter-commissaris de proportionaliteit van de afspraak met [getuige 2] niet heeft getoetst en er daardoor geen rechtmatigheidsoordeel (op de juiste wijze) tot stand is gekomen en het hof de afspraak om die reden niet rechtmatig kon achten, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot het afwijken van dat standpunt hebben geleid, althans dat de afwijking van dit standpunt onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Daarbij moet volgens de stellers van het middel in aanmerking worden genomen dat het hof onjuist dan wel niet zonder meer begrijpelijk heeft geoordeeld dat ten aanzien van het verstrekken van gebrekkige informatie door de officier van justitie aan de rechter-commissaris, geen sprake is van een vormverzuim dat aan de zittingsrechter kan worden voorgelegd. Daarnaast zou het achterwege blijven van een oordeel over de proportionaliteit van de afspraak een schending opleveren van het recht op een eerlijk proces.
zesde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de op basis van art. 226g jo. 226h Sv gemaakte afspraken met de kroongetuigen [getuige 1] en [getuige 2] rechtmatig zijn onjuist is, althans niet begrijpelijk is gemotiveerd dan wel dat het oordeel van het hof ten aanzien van het indienen van een ontnemingsvordering tegen [getuige 1] en [getuige 2] geen vormverzuim oplevert dan wel niet onrechtmatig is onjuist en niet begrijpelijk gemotiveerd is. Daarnaast zou het hof een onjuiste dan wel onbegrijpelijke uitleg hebben gegeven aan de term ‘toezegging’, het hof ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn afgeweken van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en het oordeel van het hof omtrent het afzien van voordeelsontneming onbegrijpelijk althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd zijn, in welk kader het hof ook is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder daarbij in het bijzonder de begrijpelijke redenen op te geven die tot het afwijken van dat standpunt hebben geleid.
zevende middelklaagt, mede in het licht van een daartoe strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, in de kern over het oordeel van het hof dat het afzien van de vervolging van [getuige 1] voor verscheidene feiten geen vormverzuim oplevert dan wel niet onrechtmatig is onjuist is en ieder geval onbegrijpelijk is gemotiveerd, nu het oordeel van het hof dat het Openbaar Ministerie op basis van opportuniteitsafwegingen van vervolging kon afzien onjuist is althans niet voldoende begrijpelijk is.
achtste middelklaagt, mede in het licht van een daartoe ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat de met [getuige 1] en [getuige 2] gemaakte afspraken onrechtmatig zijn, in het bijzondere nu de gemaakte getuigenbeschermingsafspraken een verkapte financiële beloning inhouden, zodat het oordeel van het hof hieromtrent onjuist, niet begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is.
negende,
twaalfdeen
dertiende middelklagen over het door het hof gegeven betrouwbaarheidsoordeel over de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] in de zaaksdossiers ‘Perugia’ (moord op [betrokkene 10] ), ‘Agenda’ (moord op [betrokkene 14] ), ‘Indiana’ (poging moord op [betrokkene 11] ) en ‘Tanta’ (moord op [betrokkene 5] en [betrokkene 6] ). De vraag naar de betrouwbaarheid van deze getuigen heeft veel aandacht gekregen bij de behandeling van het Passageproces door het hof. De verweren die hierover zijn gevoerd hebben geleid tot een uitvoerige beschouwing in het arrest over de vraag of de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] betrouwbaar zijn. Het belang van het antwoord op die vraag voor de uitkomst van deze zaak, kan niet worden onderschat. De verklaringen van de verdachten en die van de kroongetuigen lopen namelijk wezenlijk uiteen. Zoals het hof het heeft verwoord: “het is voor ieder van hen in feite zwart of wit, van grijstinten lijkt geen sprake te zijn. De verklaringen van verdachten en kroongetuigen sluiten elkaar over en weer uit.” [133] Deze context maakt de vraag of de genoemde getuigen betrouwbaar zijn, des te belangrijker.
negende middelklaagt in de kern genomen over het oordeel van het hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] inzake de zaaksdossiers ‘Agenda’ en ‘Perugia’.
twaalfde middelklaagt in de kern genomen over het oordeel van het hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] inzake het zaaksdossier ‘Indiana’, in het bijzonder omdat [getuige 1] zijn kennis zou hebben gebaseerd op feiten en omstandigheden uit de media.
de auditu-bewijs (van horen zeggen). [verdachte] is daarbij een belangrijke bron gebleken. [getuige 1] heeft verklaard over [verdachte] dat hij met “desinformatie” kon “strooien”. Het hof heeft hierbij de contacten tussen de verdachte en de toenmalige CIE betrokken, waaruit blijkt dat het verstrekken van informatie veel weghad van een schaakspel. Dit brengt volgens het hof mee dat de indirect van [verdachte] afkomstige informatie toereikende bevestiging moet vinden in de overige onderzoeksbevindingen. Tevens wijst het hof erop dat [getuige 1] gefragmenteerde informatie heeft gekregen, waarbij hij naar eigen zeggen ook gebruik heeft gemaakt van “logica” en “overtuigingen”om zijn verklaringen te construeren. Ook dit noopt tot een kritische beoordeling van de informatie, maar deze omstandigheden als zodanig diskwalificeren hem nog niet als getuige, aldus het hof.
de auditu-verklaringen zijn, kan in het licht van al het voorgaande niet afdoen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen, zodat de verweren worden verworpen.”
dertiende middelklaagt over het oordeel van het hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] inzake het zaaksdossier ‘Tanta’, in het bijzonder omdat het hof verzuimd zou hebben te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake deze getuige.
tiende middelklaagt over schending van art. 6 EVRM Pro, aangezien de bewezenverklaring van het onder zaak A, feit 1 subsidiair, ten laste gelegde, op het punt van (het medeplegen van) de uitlokking door de verdachte van de moord op [betrokkene 10] , in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van de getuige [betrokkene 20] , terwijl de verdediging ten aanzien van deze verklaring niet effectief haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen.
elfde middelricht zich tegen de verwerping van een verweer alsmede de bewijsmotivering met betrekking tot het onder B., zaak 1 bewezen verklaarde feit, door het hof aangeduid als de zaak ‘Opa’ (het medeplegen van moord op [betrokkene 7] ).
veertiende middelklaagt over de afwijzingen van het (herhaalde) verzoek de CIE-rechercheur " [verbalisant 2] " als getuige te horen alsmede tot het doen van nader onderzoek.
vijftiende middelklaagt dat het hof in strijd met art. 3 EVRM Pro aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd, althans dat ’s hofs oordeel dat daartoe kon worden overgegaan onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.
hitmannaar het rijk der fabelen kan worden verwezen. Wat daarvan overigens zij, het is de keuze van [verdachte] geweest het bij dat suggereren te laten, ook nadat er door het hof meer dan eens op onthulling van die werkelijkheid is aangedrongen.
De criteria die het Adviescollege aanlegt, zoals opgenomen in art. 4, vierde lid, Besluit ACL, zijn derhalve tevens van belang voor de beslissing omtrent gratieverlening.(20) Het komt bij de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of de beoordeling van een nadien ingediend verzoek tot gratieverlening derhalve aan op de vraag of – gelet op het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie, en in aanmerking genomen de overige in art. 4, vierde lid, Besluit ACL genoemde criteria – verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Vanwege deze samenhang tussen enerzijds de in de gratieprocedure toepasselijke maatstaf en anderzijds de advisering door het Adviescollege, verschaft art. 4, vierde lid, Besluit ACL voor de veroordeelde ook in voldoende mate inzicht in de objectieve criteria die worden aangelegd bij de in 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling.(21)
De Penitentiaire beginselenwet voorziet in het recht van (beklag en) beroep ter zake van beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, ook voor het einde van de eerder genoemde termijn van 25 jaar, alsook beslissingen omtrent het verlenen van re-integratieverlof. De vraag of het detentieverloop in een individueel geval in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM Pro stelt, komt in deze penitentiaire rechtsgang aan de orde.
nazorg(werk en inkomen, huisvesting, ID-bewijs, schulden en zorg)”. [212] De bewering dat levenslanggestraften tot die tijd “aangewezen” zijn op resocialisatie-activiteiten miskent mijns inziens de doelstelling daarvan. Datzelfde geldt voor de klacht over de “eindsprint” van twee jaar, waarmee wordt gesuggereerd dat de re-integratieactiviteiten op zichzelf staan en volgen op 25 jaar “stilstand”. Ook tijdens die eerste 25 jaren van de straf kunnen levenslanggestraften immers werken aan herstel jegens in ieder geval zichzelf en daarnaast jegens de achterban, slachtoffer(s) en/of nabestaande(n) en/of de samenleving, teneinde na afloop van die periode aan het ACL aan te kunnen tonen dat met de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf geen legitieme strafdoelen meer worden gediend. [213]
De namens de benadeelde partijen ingediende middelen
namens de benadeelde partij [betrokkene 1] voorgestelde schriftuurkomt met klachten, verdeeld over drie middelen, op tegen enkele overwegingen van het hof in het kader van de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot vergoeding van shockschade.
eerste namens de benadeelde partijen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voorgestelde middelblinkt niet in duidelijkheid. Vooropgesteld wordt dat het hof in strijd met art. 150 Rv Pro zou hebben gehandeld door de, volgens de steller van het middel, niet onderbouwde stelling van de verdediging te volgen. Vervolgens wordt aangevoerd dat de vaststelling van het hof dat "een dermate inhoudelijk juridisch en feitelijk debat over de beoordeling en omvang van de schade dient plaats te vinden, (…) onjuist en onbegrijpelijk [is]" [238] . Tenslotte wordt betoogd dat hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd niet deugt.
tweede namens de benadeelde partijen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voorgestelde middelklaagt dat het hof zonder motivering niet is overgegaan tot begroting van de schade naar schatting. Ik vrees dat de steller van het middel hier uit het oog verliest dat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard en logischerwijs niet is toegekomen aan een begroting van de schade.
derde namens de benadeelde partijen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voorgestelde middelklaagt dat het hof het namens de kinderen gevorderde gedeelte van de vordering tot schadevergoeding niet heeft toegewezen, terwijl volgens de steller van het middel dat gedeelte door de verdediging niet is betwist. De steller van het middel beroept zich in het kader hiervan op de civielrechtelijke regel dat een stelling die niet of niet voldoende wordt betwist als vaststaand moet worden aangenomen.
Namens de verdachte is een verweerschriftingekomen. In dat verweerschrift wordt erop gewezen dat het cassatieberoep partieel is ingetrokken ten aanzien van de beslissingen tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vordering door het hof. Voorts wordt gesteld dat de Hoge Raad niet bevoegd is tot beoordeling van de schriftuur van de benadeelde partij nu het cassatieberoep zich niet richt tegen de beslissing over de vordering van de benadeelde partij. Hieraan wordt ten grondslag gelegd dat de wet geen regeling bevat ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het Openbaar Ministerie cassatieberoep heeft ingesteld [240] of de verdachte onderscheidenlijk het Openbaar Ministerie in dit cassatieberoep niet-ontvankelijk is verklaard en dit meebrengt dat de Hoge Raad in deze genoemde gevallen niet bevoegd is tot de beoordeling van een op de voet van art. 437 lid 3 Sv Pro ingediende schriftuur van een benadeelde partij [241] .