Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Procesgang
3.Beoordeling van het eerste middel
5.Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak werd verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor oplichting en vrijgesproken van verduistering ten aanzien van hetzelfde geldbedrag. Tegen de veroordeling voor oplichting stelde verdachte hoger beroep in, terwijl het Openbaar Ministerie geen hoger beroep instelde tegen de vrijspraak van verduistering. In hoger beroep vorderde het OM een wijziging van de tenlastelegging waarbij verduistering alsnog ten laste werd gelegd.
Het hof wees deze wijziging toe en veroordeelde verdachte voor verduistering, waarbij het hof oordeelde dat dit geen schending van het ne bis in idem-beginsel opleverde. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat het wijzigen van de tenlastelegging in hoger beroep een voortzetting van dezelfde vervolging betreft en niet een nieuwe vervolging.
De Hoge Raad benadrukt dat de maatstaf voor wijziging van de tenlastelegging inhoudt dat de gedragingen hetzelfde feit moeten betreffen in de zin van artikel 68 Sr Pro, en dat de wijziging toelaatbaar is indien de gedragingen onderling nauw verwant zijn en de wijziging geen wezenlijk andere delictsomschrijving inhoudt. Het hof heeft dit zorgvuldig toegepast en de bezwaren van de verdediging verworpen.
Het beroep van verdachte wordt verworpen, waarmee de wijziging van de tenlastelegging en de daarop gebaseerde veroordeling definitief blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de wijziging van de tenlastelegging en de veroordeling voor verduistering ondanks eerdere vrijspraak in eerste aanleg.