Conclusie
middelbevat de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel de oplegging van de betalingsverplichting onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van €129.055,76 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de invoer van cocaïne.
Het hof had vastgesteld dat betrokkene en mededaders gezamenlijk elf brandblussers met cocaïne hadden verzonden, waarvan negen waren onderschept. Op basis van vertrouwelijke communicatie en telefoongesprekken achtte het hof aannemelijk dat twee brandblussers met cocaïne de bestemming hadden bereikt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op €129.077,76, waarbij het hof alleen inkoopkosten in mindering bracht.
Het hof legde de betalingsverplichting hoofdelijk op aan betrokkene voor het gehele bedrag, stellende dat het voordeel als gemeenschappelijk voordeel kon worden aangemerkt. De advocaat-generaal stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het volledige voordeel als gemeenschappelijk voordeel moest worden beschouwd en dat de hoofdelijke aansprakelijkheid niet deugdelijke onderbouwing miste.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het volledige wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel kon worden aangemerkt en dat de hoofdelijke betalingsverplichting daarom niet toereikend was onderbouwd. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling binnen het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van de hoofdelijke betalingsverplichting en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.