Conclusie
middelklaagt dat het hof op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden ten laste van de verdachte de vordering van de benadeelde partij ter vergoeding van geleden schade ten bedrage van € 77.500,00 hoofdelijk heeft toegewezen.
Vordering van de benadeelde partij [A] B.V.
NJ2016/194, m.nt. Hartlief heeft de civiele kamer van de Hoge Raad geoordeeld dat de in art. 6:166 lid 1 BW Pro neergelegde aansprakelijkheid evenwel niet is beperkt tot gedragingen “in turba” (dat wil hier zeggen: gepleegd tijdens wanorde, gewoel, gedrang of verwarring van een menigte mensen). Tevens blijkt eenheid van tijd en plaats van de gedragingen van de groepsleden geen vereiste te zijn om aansprakelijkheid op grond van die bepaling te kunnen aannemen. [8] Wel zal het moeten gaan om concrete schadeveroorzakende handelingen in groepsverband. Het deelnemen aan een criminele organisatie bijvoorbeeld is
als zodanigeen onvoldoende concreet gezamenlijk schadeveroorzakend optreden. Ten tweede is vereist dat een (of meer) tot de groep horende deelnemer(s) een onrechtmatige daad heeft (of hebben) gepleegd ten gevolge waarvan een benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden. In de derde plaats moet het optreden in groepsverband op zichzelf onrechtmatig zijn, in die zin dat de kans op het toebrengen van schade de aangesprokene van zijn deelneming aan de gemeenschappelijke gedragingen in groepsverband had moeten weerhouden; de aangesprokene kan worden gezegd dat hij wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor schade als die welke in concreto is toegebracht. Ten slotte moet zijn deelneming aan de gedragingen in groepsverband hem kunnen worden toegerekend.
matewaarin de gedragingen van de aangesprokene zelf aan de schade hebben bijgedragen, is daarvoor (in beginsel) niet van belang.
NJ2003/608 had de verdachte zich tezamen met twee anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweldpleging. Onder verwijzing naar art. 36f, tweede lid, Sr oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht van hoofdelijke aansprakelijkheid was uitgegaan. In de zaak die heeft geleid tot HR 7 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8339,
NJ2006/615 en waarin werd geklaagd over de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor de gehele geleden schade aan de wegens afpersing door twee of meer verenigde personen veroordeelde verdachte, overwoog de Hoge Raad: