Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
28 maart 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het geschil betreft de klacht over het gebruik van een schriftelijk bescheid als bewijs, waarin de identiteit van de verklarende persoon niet blijkt, zonder dat is voldaan aan de motiveringsvereisten van artikel 360.1 Sv.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de raadsman van de verdachte schriftelijk heeft gereageerd. De Hoge Raad heeft het middel onderzocht en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden, mede omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en van Strien, en het beroep van de verdachte is verworpen. Daarmee blijft het arrest van het gerechtshof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen wegens het ontbreken van de vereiste motivering bij het gebruik van schriftelijk bewijs.