Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1221

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
24/122 tot en met 24/127
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 27e AWRArt. 49 ZVWArt. 12a Wet LBArt. 13a Wet LB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over 2014-2016 met FIOD-onderzoek belastingfraude

Belanghebbende is navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW opgelegd over de jaren 2014 tot en met 2016, gebaseerd op een FIOD-onderzoek naar belastingfraude. De rechtbank wees het beroep grotendeels af, maar belanghebbende ging in hoger beroep.

Het Hof oordeelt dat voor 2014 geen nieuw feit is aangetoond dat navordering rechtvaardigt en dat navordering wegens kwade trouw niet mogelijk is omdat belanghebbende niet was uitgenodigd tot aangifte. Voor 2015 en 2016 is de navordering terecht omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en de bewijslast omgekeerd en verzwaard wordt. De managementfees van € 8.000 per maand zijn aannemelijk als gebruikelijk loon en zijn via rekening-courant en bankrekeningen ontvangen.

Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gelden leningen waren. Het Hof verklaart nieuwe stukken van belanghebbende tardief en wijst het verzoek om vermindering van de boete af. De navorderingsaanslagen 2015 en 2016 blijven in stand, de aanslagen 2014 worden vernietigd. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding en de inspecteur tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Navorderingsaanslagen 2014 vernietigd, 2015 en 2016 bevestigd; immateriële schadevergoeding toegekend en proceskosten vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 24/122 tot en met 24/127
14 april 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigden: mr. R.B.H. Beune en mr. F. Butselaar),
tegen de uitspraak van 18 oktober 2023 in de zaken met kenmerken HAA 21/3944, 21/3946, 21/3948, 21/3949, 21/3951 en 21/3952 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat, de minister van Justitie en Veiligheidte Den Haag (de Staat), inzake het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2014 en 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, respectievelijk een bijdrage-inkomen van € 96.000. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is belastingrente in rekening gebracht.
1.1.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV en een aanslag ZVW opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, respectievelijk een bijdrage-inkomen van € 96.000. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd van € 396.
1.2.
De door belanghebbende tegen de onder 1.1.1 en 1.1.2. genoemde beschikkingen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft als volgt op het beroep beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
  • verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV en ZVW 2014 tot en met 2016 en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikkingen ongegrond;
  • verklaart het beroep tegen de dwangsombeschikking van 5 november 2021 gegrond;
  • vernietigt het besluit van verweerder van 5 november 2021, voor zover verweerder daarbij heeft bepaald dat een dwangsom is verbeurd van € 1.442;
  • stelt de door verweerder te betalen dwangsommen voor de jaren 2014, 2015 en 2016 vast op in totaal drie x € 1.442;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde het besluit van verweerder van 5 november 2021;
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 1.182;
  • veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 818;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.046,25;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op 4 december 2023 (pro forma) hoger beroep ingesteld, met een verzoek tot uitstel voor het indienen van de gronden.
1.5.
Het Hof heeft op verzoek van partijen steeds uitstel verleend voor het indienen van de gronden van het hoger beroep, aangezien partijen dicht bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst waren. Op 24 september 2024 hebben partijen een principe-overeenkomst bereikt, maar de zaak niet ingetrokken omdat de overeenkomst nog niet definitief was.
1.6.
Op 5 augustus 2024 heeft belanghebbende de gronden van zijn hoger beroep ingediend. Daarna heeft de inspecteur een verweerschrift ingediend.
1.7.
Bij brief van 22 april 2025 heeft de inspecteur verzocht om beperkte kennisneming van gedeelten van het stuk “Proces-verbaal Zaaksdossier 15 Zaak Wakatobi”, proces-verbaalnummer 15-PV, Onderzoek 56578 (het P-V). Bij tussenbeslissing van 23 september 2025 heeft de geheimhoudingskamer van het Hof het verzoek om beperkte kennisneming afgewezen aangezien belanghebbende reeds over het ongeschoonde stuk beschikte. Bij brief van 16 oktober 2025 heeft de inspecteur het proces-verbaal ongeschoond ingebracht.
1.8.
Op 26 augustus 2025 verzoekt de inspecteur het Hof de zaak in te plannen voor behandeling ter zitting, aangezien de principe-vaststellingsovereenkomst niet definitief is geworden.
1.9.
Op 14 oktober 2025 worden partijen uitgenodigd voor een zitting op 16 december 2025, waarna uitstel wordt verleend in verband met een doktersafspraak van belanghebbende.
Op 17 november 2025 worden partijen uitgenodigd voor een zitting op 13 januari 2026, waarna uitstel wordt verleend wegens reeds gemaakte afspraken van mr. R.B.H. Beune (Beune); op dat moment de (enige) gemachtigde van belanghebbende.
Op 17 november 2025 worden partijen uitgenodigd voor de behandeling van de zaak ter zitting op 2 februari 2026 om 10:00 uur.
1.10.
Beune heeft op heeft op 26 januari 2026 nadere stukken ingediend. Daarbij is vermeld:
“Onderwerp Toelichting indienen stukken
Edelgrootachtbare Griffier, wegens ziekte sinds vorige week woensdag ben ik er niet aan
toegekomen om de heden ingebrachte notitie en 14 producties aan u tijdig (10 dagen voor de
zitting) te doen toekomen.
De stukken worden vandaag per mail en aan de balie aan de Inspecteur verstrekt.
Komende maandag zal client en de heer F. Butselaar mij vergezellen.”
1.11.
Op 2 februari 2026 (de dag van de zitting) heeft Beune (op dat moment de enige gemachtigde van belanghebbende) om 7:38 uur het volgende bericht in het digitale zaaksdossier geplaatst:
“Onderwerp Afwezigheid raadsman wegens ziekte, verzoek aanhouding op zitting
Edelgrootachtbare Griffier, helaas moet ik mij wegens ziekte afmelden voor de zitting van
hedenochtend om 10:00 uur. De eerdere klachten die ik had, spelen weer op.
Client is geinformeerd en zal naar de zitting komen en u verzoeken om de behandeling aan te
houden.
Hij wenst bij gestaan te worden door mij als zijn gemachtigde, waarbij de heer Butselaar ter
ondersteuning van mij zou verschijnen. Vanwege mijn kennis van het dossier en overige
mogelijke relevante feiten wenst client enkel vertegenwoordigd te worden door mij.”
1.12.
Het Hof heeft de zitting op 2 februari 2026 na aanvang geschorst en op die dag aan partijen het volgende bericht gestuurd:
“Vanwege de vertraging die de behandeling van het hoger beroep al heeft opgelopen, stelt het Hof voor nog één schriftelijke ronde in te lassen waarin beide partijen nog een keer het woord kunnen voeren, waarna het Hof zonder nadere zitting uitspraak zal doen.
Ik verzoek u het Hof uiterlijk maandag 9 februari 2026 te berichten of u hiermee akkoord bent.
Wanneer één van beide partijen hiermee niet instemt, zal de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsvinden op dinsdag 10 maart 2026 om 13.00 uur. Nader uitstel van de zitting zal niet worden verleend.
1.13.
De inspecteur is op 2 februari 2026 met het voorstel van het Hof akkoord gegaan. Belanghebbende heeft op 6 februari 2026 medegedeeld niet akkoord te gaan met het voorstel en te verzoeken om een extra schriftelijke ronde en een zitting.
1.14.
Het Hof heeft partijen op 9 februari 2026 bevestigd dat de hervatting van de zitting zoals aangekondigd op 10 maart 2026 doorgang zal vinden en medegedeeld dat geen schriftelijke ronde meer zal plaatsvinden.
1.15.
Het onderzoek ter zitting heeft dus plaatsgevonden op 2 februari 2026 en 10 maart 2026. Op de zitting van 10 maart 2026 heeft belanghebbende medegedeeld dat, naast Beune, nu ook mr. F. Butselaar zijn gemachtigde is. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende ( [X] ) is geboren op [geboortedatum] 1958. In de periode 2014 tot en met 2016 is belanghebbende ongehuwd en heeft hij vier kinderen. Belanghebbende huurde in de onderhavige periode een huurwoning op de [adres] te [Z] . Op het adres waren geen andere personen ingeschreven.
2.2.
Voor het jaar 2014 is belanghebbende niet uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan en er is geen aanslag opgelegd. Op 7 en 14 december 2019 zijn de in 1.1.1 genoemde navorderingsaanslagen opgelegd naar een inkomen van € 96.000.
2.3.
Voor de jaren 2015 en 2016 is belanghebbende wel uitgenodigd om aangifte te doen. Voor elk van deze jaren heeft hij een aangifte met uitsluitend nihil bedragen gedaan.
Voor het jaar 2015 is op 19 augustus 2016 een nihil-aanslag IB/PVV opgelegd (en geen aanslag ZVW).
Voor het jaar 2016 zijn op 17 juli 2020 de in 1.1.2. genoemde aanslagen IB/PVV en ZVW opgelegd naar een inkomen van € 96.000.
Op 14 en 21 november 2020 zijn de in 1.1.1. genoemde navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over 2015 opgelegd naar een inkomen van € 96.000.
2.4.
De FIOD is een onderzoek genaamd Wakatobi III gestart naar belastingfraude door onder meer belanghebbende. Op 29 augustus 2017 heeft een medewerker van de FIOD over dit onderzoek contact opgenomen met een medewerker van de Belastingdienst. Van dit onderzoek behoort het P-V tot de gedingstukken. Hierin staat:

1 RESULTAAT VAN HET ONDERZOEK1.1 Samenvatting
In dit proces-verbaal wordt een beschrijving gegeven van het vermoeden dat genoemde verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan belastingfraude. Aan [X] , [C] , [D] en [E] zijn managementfees toegekend van € 8.000,- per maand. Deze fees zijn bijgeschreven in hun rekening-courant bij [A] / [B] . In de overeenkomst is een bepaling opgenomen waarin staat dat de fee nog niet opeisbaar is, maar pas op een tijdstip dat door [A] / [B] wordt bepaald. Door de managementfee in rekening courant te boeken wordt deze in feite terbeschikking gesteld aan de genoemde verdachten. Er worden gelden overgeboekt naar de privé bankrekeningen van de verdachten en deze opnamen worden ten laste van de rekening couranten van de respectievelijke verdachten geboekt.
(…)
2. ALGEMEEN
2.1
Aanleiding onderzoek
Door de FIOD wordt in samenwerking met de Politie een onderzoek ingesteld naar een aantal; oplichtingszaken. Een van de oplichtingszaken betreft het werven van investeerders voor [B] , een sportmarketing bedrijf. Verdachten in deze zaak zijn [belanghebbende], [C] , [D] , [F] en [E] . In dit onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachten [X] en [C] vermoedelijk inkomsten hebben genoten welke niet zijn aangegeven in hun aangifte inkomstenbelasting. Dit strafbare feit wordt geverbaliseerd in dit zaaksdossier.

3.MATERIEEL ONDERZOEK

3.1
Algemeen
(…)
Voor de verschillende leidinggevende personen binnen de voornoemde bedrijven werden zgn. rekening couranten bijgehouden. Deze grootboekrekeningen zijn aangetroffen op het verblijfadres van [E] , die de dagelijks boekhouding voerde.
(…)
Op deze grootboekrekening werd jaarlijks de aan hen toegekende managementfee bijgeboekt. De werkelijk door hen opgenomen bedragen werden in mindering geboekt. In de uitdraai van de rekening courant is te zien dat de volgende bedragen zijn toegekend als managementfee:
2014 2015 t/m 31-8 2016
[X] € 96.000,- € 64.000,- onbekend
(…)
Deze bedragen aan managementfee sluiten aan met een tweetal aangetroffen brieven, waarin
[A] AG per 1 januari 2014 een managementvergoeding toezegt ad € 8.000,- per maand. In de brieven staat dat de fee maandelijks in rekening courant zal worden geboekt.
De brief gericht aan [X] is getekend door [E] en [C] . Er is ook uitvoering gegeven aan de brief, over 2014 is namelijk 12 x € 8.000,- = € 96.000,- aan managementfee geboekt. Over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31-8-2015 is 8 maanden x € 8.000,- = € 64.000,- geboekt. Over het hele jaar 2015 en 2016 zal dus ook, evenals in 2014, totaal € 96.000,- zijn toegekend.
(…)
[X] verklaarde over de brief betreffende de toegekende managementfee:
“Dat is de management fee die mij is toegekend, die nooit is uitgekeerd en dus ook niet onderworpen is aan de heffing van inkomstenbelasting. Dit is wel verwerkt in mijn rekening courant.”
(…)
3.2.
Inkomsten [X]
heeft geen bankrekening op zijn naam staan. Hij verklaarde hierover het volgende:
“ … Overigens wil ik opmerken dat ik sinds 2011 dankzij de Staat der Nederlanden geen bankrekening op mijn naam kan of hebben. Want ik word door de banken niet geaccepteerd vanwege mijn strafblad. Maar ik word wel geacht inkomstenbelasting te betalen.”
Vermoedelijk heeft [X] bankrekening [bankrekeningnummer 1] , die op naam staat van zijn vriendin, [G] , gebruikt als zijn bankrekening. Dit valt onder meer af te leiden uit de volgende transacties:
 Maandelijkse betalingen van circa € 2.300 aan [H] BV inzake huur [adres] in [Z] . Dit is het woonadres van [X] .
 Maandelijkse betalingen van € 1.388,89 aan het Centraal Justitie Incasso Bureau met als omschrijving "betaling [X] ".
 Betalingen aan advocatenkantoor [I] voor een totaalbedrag van € 13.843,54 met als omschrijving: " [naam 1] en [naam 2] namens [X] ". Vermoedelijk zijn door [X] gedane alimentatiebetalingen voor zijn kinderen.
[X] heeft in de jaren 2014 t/m 2016 gelden op deze bankrekening ontvangen. Een groot deel van de ontvangen bedragen zijn afkomstig van de bankrekening van Stichting [L] . De bankrekening van Stichting [L] werd gebruikt door [A] AG. Dit bedrijf had géén eigen bankrekening.
(…)
Er is een overeenkomst aangetroffen tussen Stichting [L] en [X] . Deze overeenkomst is op 19-07-2016 getekend door [C] als bestuurder van de Stichting [L] en op 24 april 2016 door [X] . In de overeenkomst staat dat [X] in de periode van maart 2014 tot december 2015 regelmatig wisselende bedragen van Stichting [L] ten titel van geldlening heeft ontvangen voor een totaalbedrag ad € 97.000.- Partijen zullen in gezamenlijk overleg maar in ieder geval vóór 31 december 2016 afspraken maken over terugbetaling van de lening. De geldlener ( [X] ) heeft de lening aangewend om te voorzien in zijn levensonderhoud.
(…)
[Belanghebbende] verklaarde over deze overeenkomst:
“Dat bedrag heb ik geleend, en dan heeft u meteen antwoord op de vraag waar ik van geleefd heb. (…)”(…)
3.2.1.
Analyse rekening courant [X]
(…)
Op het verblijfsadres van [E] , de boekhouder van [B] , is een grootboekrekening rekening courant aangetroffen over de periode 05-12-2014 tot en met 31-10-2015. Hierop staat met pen geschreven ' [Q] ( [X] )'. [Q] was de naam van een vroegere onderneming van [X] en ook de toegezegde managementfee van [X] wordt op deze grootboekrekening geboekt. De analyse van deze grootboekrekening ziet er als volgt uit:
(…)
● Over de periode van 01-01-2015 tot en met 31-10-2015 wordt er achtenvijftig maal kontant geld opgenomen voor een totaalbedrag van € 89.400. Deze opnamen verhogen de rekening courantschuld van [X] .
● Op 30 april 2015 wordt de schuld van [X] met € 5.000 hoger. Bij de omschrijving staat:
“received from [R] : Lawyercosts BWW USA”. Op de bankrekening van [G] maar die wordt gebruikt door [X] , zie ik dat dit bedrag van [R] op 30 april 20015 binnenkomt.

[zo nog acht voorbeelden van boekingen en corresponderende ontvangen op de rekening van [G] ]
● Op 31 augustus 2015 wordt de rekening courant schuld van [X] verminderd met
€ 64.000. Bij de omschrijving staat [X] management fee.
(…)
3.2.2.
Analyse bankrekening
Op de bankrekening die op naam staat van [G] , zijn in 2016 de volgende bedragen bijgeboekt die zijn te kwalificeren als een vergoeding van [X] voor zijn werkzaamheden voor [B] . Onderstaande bedragen zijn afkomstig van de bankrekening van Stichting [L] dan wel van [B-1] BV dan wel van de bankrekening van [E] , die zich ondermeer bezigheid met de administratie van [B] .
[volgt een tabel]TOTAAL € 69.150
(…)
Op de bankrekening van [X] zijn de volgende bedragen van Stichting [L] binnengekomen die, gelet op de omschrijving, zijn gekwalificeerd als een onkostenvergoeding.
(…)
[volgt een tabel]TOTAAL € 21.773
(…)
3.4. Het tapgesprek
Op 28 november 2017 om circa 18:36 uur belde [C] met [X] . Het gesprek is vanaf minuut 1.34 letterlijk uitgewerkt, waarbij ‘ [C] ’ staat voor [C] en ‘ [X] ’ voor [X] . Het volgende is vastgelegd”
[C] : Wat [E] geboekt heeft, laten we het daar maar niet over hebben [X] . Echt niet normaal.[X] : Maar waar gaat het over dan, over die btw kwestie?[C] : Nee, mensen met fee die hij gewoon geboekt heeft via de S.A., wat ik. We hebben helemaal geen fee. We hebben helemaal niks. Wordt gewoon in mindering gebracht. Ajoh ik ben, ik word helemaal gek van hem echt.[X] : Managementfee geboekt, is dat uitbetaald dan?[C] : Ja. Nee maar hij boekt die gewoon in rekening courant dat kan helemaal niet. Zodat,[X] : Nee.[C] : Dan zouden we belasting over moeten betalen allemaal dat soort dingen.[X] : Ja.
[C] : Nou, ik, ik heb met [M] daarom een afspraak over gemaakt en uhu samen met [N] , dit, is uhu, dan maar ik uhu ik, ik zoek dit wel uit en uhu.
[X] : Maar hij heeft de managementfee geboekt van wie?
[C] : Van jou, van mij, van hem zelf.
[X] : Maar dan moet je toch belasting betalen?[C] : Ja, dat zeg ik dus.
[X] : Dat betekent toch.
[C] : Dus. A, joh, nee, kan helemaal niet.
[X] : Nee.
[C] : En daarnaast alleen maar naar zichzelf toe gerekend. En waar is ons geld gebleven wat wij in het begin er in hebben gestopt?[X] : Ja.[C] : Is er ook gewoon niet meer.
[X] : Nee. Nou uhum laten we daar niet over de telefoon over praten.”
2.5.
Tot de gedingstukken behoren de volgende brieven van de Zwitserse vennootschap [A] AG ( [A] ):
- Een brief van 30 juli 2014 met als onderwerp “management fee” waarin [C] (investment partner) en [E] (investment partner) namens [A] aan belanghebbende het volgende schrijven:
“Met deze brief bevestigt [A] AG (hierna " [A] ") dat met ingang van l januari 2014 aan u cq. aan een door u in de toekomst aan te wijzen entiteit een maandelijkse management fee van bruto € 8.000 is toegekend onder de volgende voorwaarden:
* de management fee zal maandelijks in de boeken van [A] in Rekening Courant worden geboekt;
* Tot een nader te bepalen tijdstip zult u nog geen daadwerkelijk beroep op uitbetaling van de management fee kunnen doen;
* Indien de toekomst de financiële positie van [A] dit toelaat zal een door u aan te wijzen entiteit de "accrued management fees" aan [A] factureren met toevoeging van eventueel verschuldigde BTW/MwSt/Omzetbelasting of enig andere vergelijkbare heffing.
* Er bestaat nadrukkelijk geen werkgever-werknemer verhouding tussen [A] en u, niet in de periode vanaf l januari 2014, niet op dit moment en ook niet in de toekomst. Het staat u vrij voor andere opdrachtgevers te werken, met derden zaken te doen, etc. Alle toekomstige premies volksverzekering en ziektekostenverzekering, belasting op arbeid etc. zijn voor uw rekening cq. voor rekening van de entiteit die de management fees zal factureren.
* Voor het overige zult u uw werkzaamheden voortzetten op de manier en op basis van de onderlinge mondelinge afspraken die tussen de verschillende partners zijn gemaakt.”
  • Een brief van 30 juli 2014 met dezelfde inhoud aan [C] . Deze brief is namens [A] ondertekend door belanghebbende (investment partner) en [E] (investment partner).
  • Een brief van 15 augustus 2015 met als onderwerp “management fee” waarin [E] (CEO) namens [A] aan belanghebbende het volgende schrijft:
“Met deze brief bevestigen wij formeel hetgeen in een schrijven van [A] AG (hierna “ [A] ”) van 30 juli 2014 door twee investment partners namens [A] aan u is toegezegd m.b.t. het toekennen van een maandelijkse management fee.
Voor het overige blijft hetgeen in de betreffende brief is vermeld onverkort van toepassing.”
- Een brief van 15 augustus 2015 met dezelfde inhoud aan [C] . Deze brief is namens [A] ondertekend door [E] (CEO).
2.6.
Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst waarin [C] (bestuurder) namens Stichting [L] als geldgever, en belanghebbende als geldnemer, het volgende overeenkomen:

Overwegende dat:
 Geldnemer in de periode maart 2014 – december 2015 van Geldnemer regelmatig wisselende bedragen heeft ontvangen ten titel van lening;
 Partijen de voorwaarden voor deze lening nader willen vaststellen;
Komen het volgende overeen:
1. Geldgever heeft in de periode maart 2014 t/m december 2015 regelmatig aan Geldnemer geldbedragen verstrekt ten titel van lening, zowel contant als per bankovermaking, tot een totaalbedrag van € 97.000, hierna te noemen “de Lening”.
2. Geldnemer heeft de Lening aangewend om te voorzien in zijn levensonderhoud.
3. Partijen zullen in gezamenlijk overleg in de toekomst, doch in elk geval vóór 31 december 2016, afspraken maken over terugbetaling van de Lening plus eventuele betaling van rente en kosten.
Aldus overeengekomen en ondertekend in tweevoud te Amsterdam op de hieronder aangegeven plaatsen en data (…).”
Deze overeenkomst is door belanghebbende ondertekend en gedateerd op 24 april 2016 en door [C] op 19 juli 2016.
2.7.
Het volgende staat in de gedingstukken:
  • In de statuten van [A] staat dat zij aandelen aan toonder heeft (“Die Aktien sind zu 100% liberiert”).
  • Tot de gedingstukken behoort een “Aktienzertifikat” van een aandeel aan toonder van [A] .
  • Van 1 januari 2004 tot en met 11 juli 2014 was belanghebbende directeur en enig aandeelhouder van [Q] B.V.
  • Op 10 oktober 2014 tekent belanghebbende namens B.V. [P] ( [P] ) in de functie van ‘managing director’ van [P] een overeenkomst tussen [P] en [A] .
2.8.
Tot de gedingstukken behoort FIOD document “Bijlage nummer DOC-855”. Dit is een uitdraai van de bij [E] aangetroffen grootboekrekening met als accountomschrijving “Current accounts related parties: R/C [Q] ”. Deze grootboekrekening bevat vele boekingen van een “cashwithdrawel” op locaties in Amsterdam . In het grootboek zijn ook transacties naar [G] opgenomen. Ook bevat deze rekening op:
  • 31 december 2014 een boeking van € 96.000 met omschrijving “ [X] payment mgmt fee 2014”
  • 31 augustus 2015 een boeking van € 64.000 met omschrijving “ [X] payment mgmt fee 2015”
De rekening courant schuld is in 2015, ondanks de afboeking van € 64.000 opgelopen met een bedrag van € 90.056,56.
2.9.
Tot de gedingstukken behoort een FIOD document “Bijlage nummer DOC-994”. Dit is een lijst van transacties van de bankrekening van [G] met nummer [bankrekeningnummer 1] in 2016. Hierop zijn stortingen te zien van Stichting [L] (rekening [bankrekeningnummer 2] ), [B-1] BV ( [bankrekeningnummer 3] ) en
[E] (rekening [bankrekeningnummer 4] ). Deze dragen omschrijvingen als “voorschot”, “cf afspraak [X] ” en “on account” en tellen op tot een bedrag van € 69.150.
Tot de gedingstukken behoort een FIOD document “Bijlage nummer DOC-997”. Dit is een lijst van transacties van de bankrekening van [G] met nummer [bankrekeningnummer 1] in 2016. Hierop zijn stortingen te zien van Stichting [L] (rekening [bankrekeningnummer 2] ), [B-1] BV ( [bankrekeningnummer 3] ) en
[E] (rekening [bankrekeningnummer 4] ). Deze dragen omschrijvingen als “Declaraties december”, “voorgeschoten onkosten”, “onkosten” en “Declaraties [X] voor [B] ” die optellen tot een bedrag van € 21.733.
2.11.
Tot de gedingstukken behoren ook de FIOD documenten “Bijlage nummer AMB-017”. Dat zijn lijsten van boekingen van bankrekeningen die in het P-V genoemd worden.
  • Op Bijlage 1 zijn boekingen van de rekening van Stichting [L] te zien.
  • Op Bijlage 2 zijn boekingen van rekeningen van [S] te zien.
  • Op Bijlage 3 zijn contante stortingen met twee pinpassen bij geldautomaten in Amsterdam te zien.
  • Op Bijlage 4 zijn boekingen van de rekening van [R] te zien.
  • Op Bijlage 5 zijn boekingen van de rekening van [C] te zien.
2.12.
Tot de gedingstukken behoort een FIOD document “Bijlage nummer 56578 DOC-068”. Dit is een Investeringsprospectus van een nieuw te vormen vennootschap [B-2] AG. Hierin staat onder meer “ [A] (…) is een houdster- en investeringsmaatschappij die 100% eigenaar is van B.V. [P] (…)”.
Tot de gedingstukken behoort ook een “Private Placement Investment Memorandum” van [B] SA te Luxemburg, een brochure met de afbeelding van een tong op de voorpagina.
2.13.
Belanghebbende is op 10 juli 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:4690) door de strafrechter veroordeeld voor valsheid in geschrifte betreffende een investeringsmemorandum, te weten “een brochure met een afbeelding van een tong op de voorpagina”. Belanghebbende heeft in deze strafzaak meegewerkt aan een afdoeningsvoorstel waarbij hij is veroordeeld tot een geldboete van € 1.000. In het vonnis staat onder meer:

5. De bewijsmotivering1(…)
De strafzaken tegen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] maken deel uit van een
omvangrijk strafrechtelijk onderzoek dat bekend staat onder de naam “Wakatobi”. Dit onderzoek is opgedeeld in drie afzonderlijke delen: Wakatobi I, II en III. De kern en rode draad in al deze deelonderzoeken is de verdenking dat sprake zou zijn van een groep personen, in wisselende samenstelling, die samenwerkt bij het voorspiegelen van onjuiste (hoge) rendementen aan potentiële beleggers met gebruikmaking van valse of vervalste documenten. Op de afgesproken momenten van terugbetaling van de investeringen en de uitbetaling van de rendementen, blijkt dit telkens door diverse oorzaken niet mogelijk te zijn. Vervolgens worden de investeerders aan het lijntje gehouden en wordt getracht hen te bewegen nog meer geld te betalen, om zodoende de “verloren” investering terug
te krijgen. Onderhavige strafzaak heeft specifiek betrekking op het derde deel van het onderzoek, te weten Wakatobi III, meer specifiek de belegging in en beursgang van het bedrijf [bedrijf 1] S.A. zoals beschreven in zaaksdossier 10.
Om investeerders te werven voor de beursgang van [bedrijf 1] S.A. in Luxemburg, is gebruik gemaakt van een investeringsmemorandum. In dat geschrift wordt [bedrijf 1] S.A. gepresenteerd als een bloeiend, internationaal miljoenenconcern, terwijl het in werkelijkheid de doorstart zou zijn van het zieltogende Portugese bedrijf [bedrijf 2] dat in februari 2017 failliet ging, althans in staat van surseance kwam te verkeren. De kern van de beschuldiging is dat die werkelijkheid in voornoemd geschrift op een aantal concrete punten is verbloemd voor potentiële en bestaande beleggers en dat daarin ten onrechte juist een veel rooskleuriger beeld van het bedrijf is geschetst.2 De vraag die concreet voorligt aan de rechtbank is of wettig en overtuigend bewezen is dat de inhoud van het investeringsmemorandum op drie specifieke punten in strijd is met de werkelijkheid en dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] , wetende van deze onjuistheden, dit (valse) investeringsmemorandum opzettelijk voorhanden hebben gehad, hebben afgeleverd, hebben overhandigd en/of hebben gebruikt. (…)
8.3.
De gronden voor een straf of maatregel
(…)
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gebruik maken van een vals geschrift, te weten een investeringsmemorandum. Documenten van deze soort dienen te berusten op volledige en waarheidsgetrouwe informatie, juist omdat beleggers op basis daarvan besluiten tot een financiële investering over te gaan. Verdachte, die een voortrekkersrol had in het mede aan de hand van het valse investeringsmemorandum werven van investeerders, heeft met zijn handelen het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer aan deze documenten moet kunnen worden gesteld op ernstige wijze beschaamd. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank acht geslagen op een
uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 14 april 2025. Hieruit blijkt dat verdachte onder andere op 14 augustus 2020 is veroordeeld door de politierechter tot een geldboete en dat daarom artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Verdachte is eerder veroordeeld voor vermogensdelicten, laatstelijk in 2012 voor oplichting. Nu sinds deze veroordeling de nodige tijd is verstreken houdt de rechtbank daar in beperkte mate rekening mee in de strafoplegging.
(…)
[voetnoot 1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas zijn dit paginas uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD met nummer 56578 / Wakatobi.][voetnoot 2. Het proces-verbaal zaaksdossier 10, p. 581 t/m 583.]
2.14.
Tot de gedingstukken behoort een nota van het Centraal Justitieel Incassobureau van
21 oktober 2025 voor een door belanghebbende te betalen boete, opgelegd door de rechter. Het gaat om een uitspraak van de meervoudige kamer “Overijssel” van 10 juli 2025 wegens het strafbaar feit “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift”. Het te betalen bedrag is € 1.009, inclusief € 9 administratiekosten.

3.Geschil in hoger beroep

In geschil is of de (navorderings)aanslagen en de boete terecht zijn opgelegd, en zo ja, of deze te hoog zijn.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen:

Bewijskracht proces-verbaal16. Eiser stelt zich op het standpunt dat het proces-verbaal geen bewijskracht toekomt, omdat in het proces-verbaal wordt verwezen naar stukken die niet in deze procedure zijn overgelegd. Daardoor is enkel sprake van een verhaal van horen zeggen, aldus eiser.
17. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. De rechtbank stelt voorop dat de stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, daar deze stukken niet ter hand zijn gesteld van verweerder. Vervolgens overweegt de rechtbank dat in het belastingrecht de zogenoemde vrije bewijsleer geldt. Binnen de vrije bewijsleer hebben partijen de vrije keuze in bewijsmiddelen die zij willen aandragen ter ondersteuning van hun standpunten. De rechtbank is vervolgens vrij in de waardering van het bewijs. Het proces-verbaal betreft een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD, waarin het onderzoek naar eiser, in verband met het vermoeden dat eiser inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven in zijn aangifte IB/PVV, wordt uiteengezet. Verder vinden de bevindingen in het proces-verbaal steun in onder andere de door verweerder overgelegde brieven inzake de managementfee in bijlagen 25 en 26 van het verweerschrift en de grootboekrekening en de bankafschriften in bijlage 27 van het verweerschrift. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het proces-verbaal kan dienen ter onderbouwing van het standpunt van verweerder.
Navorderingsbevoegdheid 2014 en 201518. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behalve in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.
19. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (Hoge Raad 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3080).
20. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen 2014 en 2015 zijn opgelegd naar aanleiding van het FIOD onderzoek, waarvan de inspecteur op de hoogte is geraakt in 2017. De informatie uit het FIOD onderzoek vormt een nieuw feit op grond waarvan een navorderingsaanslag opgelegd kan worden. Eiser betoogt dat verweerder eerder op de hoogte moet zijn geweest van de door verweerder gestelde inkomsten. Immers, verweerder heeft eiser niet uitgenodigd tot het doen van aangifte voor het belastingjaar 2014. Daarna volgt er wel een uitnodiging voor het belastingjaar 2015. Eiser concludeert daaruit dat verweerder op de hoogte moet zijn geweest van de overeenkomst met [A] AG en naar aanleiding daarvan de FIOD heeft ingeschakeld. De FIOD is later weer teruggekomen bij verweerder. Verweerder beschikt dus niet over een nieuw feit en kan daarom geen navorderingsaanslag opleggen, aldus eiser.
21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van de navorderingsaanslagen, omdat verweerder niet bekend was en niet redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de informatie op basis van het onderzoek van de FIOD. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat verweerder in 2017 op de hoogte is geraakt van het onderzoek dat de FIOD naar eiser heeft ingesteld. Op 29 augustus 2017 heeft een medewerker van de FIOD voor het eerst contact opgenomen met een medewerker van de Belastingdienst. Op dat moment was de aanslag over het jaar 2015, met dagtekening 19 augustus 2016, al opgelegd. Het standpunt van eiser dat verweerder eerder op de hoogte moet zijn geweest van het lopende strafrechtelijke onderzoek, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat de informatie uit het FIOD-onderzoek, waarin wordt geconcludeerd dat de managementfees via de rekening-courant van [A] AG en door middel bankstortingen op de bankrekening de vriendin aan eiser zijn toegekomen, een nieuw feit is op basis waarvan verweerder over mocht gaan tot het opleggen van de navorderingsaanslagen.
Kwade trouw22. Nu uit het voorgaande volgt dat de informatie op basis van het onderzoek van de FIOD het feit vormt op grond waarvan mocht worden nagevorderd, behoeft de vraag of eiser te kwader trouw was geen beoordeling.
Ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 201523. Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De bewijslast rust dan op de belastingplichtige, om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de opgelegde belastingaanslag onjuist is. Op grond van artikel 49, derde lid, van de ZVW wordt de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Dit betekent dat de hiervoor genoemde bepaling uit de AWR over de omkering en verzwaring van de bewijslast van overeenkomstige toepassing is (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9499). Voor omkering en verzwaring van de bewijslast is geen plaats indien eisers bij de aangifte ingenomen standpunt in die mate verdedigbaar was, dat hij redelijkerwijs kon menen juist te handelen door in overeenstemming daarmee aangifte te doen (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK1488). Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.
24. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als sprake is van één of meer gebreken die er toe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast is vereist dat het bedrag van de belasting, dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn geweest dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083). Bij de beoordeling of sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte in vorenbedoelde zin moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Naar het oordeel van de rechtbank rust de hiervoor bedoelde bewijslast op verweerder, omdat hij stelt dat eiser meer belastbare inkomsten heeft genoten dan is aangegeven door eiser.
25. De rechtbank acht verweerder geslaagd in de op hem rustende last om aannemelijk te maken dat eiser voor het jaar 2015 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
26. Op grond van artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder loon verstaan loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).
27. In artikel 12a, eerste lid, van de Wet LB is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld wordt op € 44.000. Indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen, waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een hoger loon gebruikelijk is, wordt het loon gesteld op een zodanig bedrag dat het niet meer in belangrijke mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, met dien verstande dat – indien bij het lichaam of daarmee verbonden lichamen ook andere werknemers in dienst zijn – het niet lager wordt gesteld dan het hoogste loon van de overige werknemers. Indien aannemelijk is dat ter zake van de meest vergelijkbare dienstbetrekking, waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economisch verkeer een lager loon dan € 44.000 gebruikelijk is, wordt ingevolge diezelfde bepaling het loon gesteld op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Deze regeling wordt aangeduid met de gebruikelijk-loonregeling. Van een lager gebruikelijk loon dan € 44.000 kan sprake zijn bij een structurele verliessituatie (vgl. Hoge Raad 6 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7072).
28. De rechtbank acht het aannemelijk dat er, zoals verweerder heeft betoogd, sprake is van loon uit dienstbetrekking. Eiser had vanaf januari 2014 een belang van 40,8% en vanaf september 2014 een belang van 29,2% in [A] AG. Eiser had aldus in de jaren 2014, 2015 en 2016 een aanmerkelijk belang in [A] AG. Verder volgt uit het dossier dat aan eiser een maandelijkse fee voor zijn werkzaamheden wordt toegekend. De rechtbank acht het daarmee aannemelijk dat eiser werkzaamheden verrichtte ten behoeve van [A] AG waarvoor de fee werd toegekend. Op grond van het voorgaande voldoet eiser aan de voorwaarden van de gebruikelijk loonregeling van artikel 12a van de Wet LB.
29. Eiser voert aan dat de managementfee weliswaar wordt toegekend, maar dat hij de managementfee niet heeft genoten. Volgens eiser moet de brief in bijlage 25 van het verweerschrift aldus worden gelezen, dat als [A] AG op enig moment over voldoende kapitaal/liquiditeiten beschikt, eiser of een door hem aangegeven entiteit een declaratie mag sturen voor de managementfee vanaf 1 januari 2014 tot het moment van declaratie. Bovendien is [A] AG in 2016 geliquideerd zonder dat op enig moment de managementfee is uitgekeerd.
30. Verweerder voert aan dat op de grootboekrekening van de rekening-courant met eiser diverse opnames in 2015 staan genoemd die matchen met bedragen die diezelfde dag zijn gestort op de rekening van de vriendin van eiser, mevrouw [G] (zoals volgt uit het proces-verbaal, onderdeel 3.2.1.). Er wordt tussen l januari 2015 en 31 oktober 2015 in totaal € 89.400 aan bedragen opgenomen uit die rekening-courant, zoals volgt uit het proces-verbaal, onderdeel 3.2.1., bladzijde 7, tweede bullet). Het saldo van de rekening courantschuld per 31 oktober 2015 bedraagt € 100.524,51. Dit is een toename van € 90.056,56, ondanks dat een managementfee van € 64.000 is geboekt. De managementfee van 2015 is derhalve verrekend met de (oplopende) schuld en daarom belast in 2015.
31. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser in 2015 inkomsten heeft genoten. Op grond van artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB wordt loon beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt. Als een vennootschap het loon van een directeur-grootaandeelhouder ten gunste van deze directeur-grootaandeelhouder boekt ten gunste van zijn rekening-courant met de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, wordt het loon geacht te zijn genoten op het moment van verrekening in rekening-courant. Nu uit het proces-verbaal en de grootboekrekening van de rekening-courant volgt dat de toegekende en geboekte managementfees zijn verrekend in rekening-courant, wordt de managementfee door eiser genoten in 2015.
32. Ten aanzien van de hoogte van het gebruikelijk loon voert verweerder aan dat de managementfee van € 8.000 per maand kennelijk wordt gezien als passend door in ieder geval de investment partners van [A] AG voor de werkzaamheden die worden verricht door eiser. De brief waarin de managementfee staat vermeld, is immers ondertekend door de investment partners [C] en [E] . Het is dus aannemelijk dat een salaris van € 8.000 per maand gebruikelijk is voor deze werkzaamheden.
33. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoogte van het gebruikelijk loon voldoende heeft onderbouwd. Nu het aannemelijk te achten is dat eiser de managementfee van € 8.000 euro per maand toegekend heeft gekregen en daadwerkelijk heeft genoten en eiser een nihilaangifte heeft gedaan, is het aannemelijk geworden dat de volgens de aangiften verschuldigde IB/PVV voor het jaar 2015 zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager is dan de in werkelijkheid verschuldigde IB/PVV. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet de vereiste aangifte IB/PVV 2015 heeft gedaan, ten gevolge waarvan voornoemde bewijsregel van artikel 27e AWR van toepassing is.
34. Eiser stelt dat de bewijslast niet kan worden omgekeerd en verzwaard omdat hij een pleitbaar standpunt heeft voor het niet opnemen van de managementfees in zijn aangifte. Van een pleitbaar standpunt (een pleitbare uitleg van het (belasting)recht) is sprake indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het belastingrecht juist was. Het moet derhalve gaan om een juridisch pleitbaar standpunt. Nu de rechtbank feitelijk heeft vastgesteld dat in 2015 sprake is van genoten loon tot een bedrag van € 96.000 vanwege verrekening in rekening-courant is van een pleitbaar standpunt geen sprake.
Redelijke schatting35. Er is dus sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval moet de rechter beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door verweerder en, zo ja (ii) of eiser heeft doen blijken dat en in hoeverre de belastingaanslag, zoals die luidt na uitspraak op bezwaar, onjuist is.
36. De rechtbank acht de schatting van verweerder alleszins redelijk. Middels overlegging van de bevestiging van de toekenning van de managementfees aan eiser en de grootboekrekening van de rekening-courant waaruit volgt dat de managementfees worden verrekend in rekening-courant, heeft verweerder zijn standpunt, dat sprake is van een redelijke schatting voldoende onderbouwd. Verweerder heeft aan de hand van de genoemde managementfees, waarvan eiser niet heeft bestreden dat die onjuist zijn, voor elk jaar een berekening gemaakt van het gebruikelijk loon en dit geschat op (12 x € 8.000=) € 96.000 per jaar.
37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet doen blijken dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2015 verminderd dienen te worden. De stelling van eiser dat de managementfees nooit zijn uitgekeerd, maar dat gelden zijn geleend van Stichting [L] , kan eiser niet baten daar de managementfees al in fiscale zin zijn genoten op het moment van verrekening in rekening-courant. De navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2015 worden daarom gehandhaafd.
Ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 201438. Anders dan verweerder heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de bewijslast ten aanzien van het belastingjaar 2014 niet kan worden omgekeerd en verzwaard omdat de vereiste aangifte niet is gedaan. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn (vlg. Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675). Vaststaat dat eiser voor het jaar 2014 niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. Dan kan niet worden gezegd dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan (zie o.a. Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268 en Hoge Raad 21 oktober 1998 (ECLI:NL:HR:1998:AA2367). De bewijslast dat eiser de door verweerder gestelde inkomsten heeft genoten rust op verweerder.
39. Verweerder voert aan dat in 2014, net als in 2015, eiser werkzaamheden heeft verricht voor [A] AG waarvoor een managementfee is toegekend van € 8.000 bruto per maand. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar de brief in bijlage 25 van het verweerschrift waarin dit wordt bevestigd door [A] AG. Kennelijk wordt dit bedrag per maand als passend gezien door in ieder geval de investment partners van [A] AG voor de werkzaamheden die worden verricht door belanghebbende. De brief waarin de managementfee staat vermeld is immers ondertekend door de investment partners [C] en [E] . Het is dus aannemelijk dat een salaris van € 8.000 per maand gebruikelijk is voor deze werkzaamheden. Verder voert verweerder aan dat op het verblijfsadres van de boekhouder van de diverse gelieerde bedrijven een grootboekrekening is aangetroffen waaruit blijkt dat de managementfee wordt geboekt. In de uitdraai staat ook dat belanghebbende eind 2014 een rekening-courantschuld had van € 10.467,95. Kennelijk is de managementfee uit 2014 of verrekend met een schuld, of heeft belanghebbende meer gelden opgenomen dan dat er aan fee is verrekend. De managementfee is dan belast in 2014, aldus verweerder.
40. De rechtbank acht verweerder geslaagd in zijn bewijslast op basis van de gedingstukken, in het bijzonder het proces-verbaal, de brieven van [A] AG waarin de maandelijkse managementfees worden toegekend aan eiser, de grootboekrekening van de rekening-courant. Zoals eerder in overweging 25 overwogen, had eiser een aanmerkelijk belang in [A] AG. De rechtbank acht verder aannemelijk dat eiser werkzaamheden verrichtte ten behoeve van [A] AG waarvoor de maandelijkse managementfee van € 8.000 werd toegekend. Op grond van het voorgaande voldoet eiser ook in 2014 aan de voorwaarden van de gebruikelijk loonregeling van artikel 12a van de Wet LB. De rechtbank is van oordeel dat, nu uit de gedingstukken volgt dat de toegekende managementfees werden geboekt in de rekening-courant en dat volgens de grootboekrekening van de rekening-courant de managementfees van € 96.000 in 2014 zijn verrekend in rekening-courant, de managementfees als loon zijn genoten voor een bedrag van (twaalf maandelijkse manangementfees ad € 8.000=) € 96.000. Gelet op het voorgaande worden de navorderingsaanslagen 2014 IB/PVV en ZVW gehandhaafd.
Ten aanzien van de aanslagen IB/PVV en ZVW 201641. Voor het jaar 2016 heeft eiser een nihilaangifte IB/PVV gedaan. Verweerder stelt dat nu eiser in 2016 wel degelijk belastbare inkomsten had, eiser daarmee niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat de bewijslast daarom dient te worden omgekeerd en verzwaard.
42. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ook in 2016 managementfees als gebruikelijk loon heeft genoten die zijn verwerkt in de rekening-courant dan wel zijn uitbetaald op de bankrekening van zijn partner. In 2016 zijn verschillende bedragen op de bankrekening van de partner van belanghebbende binnengekomen tot een bedrag van € 69.150 afkomstig van Stichting [L] S.A. (hierna: [L] ). Verder zijn er nog twaalf betalingen, afkomstig van [L] , met een omschrijving wijzend op een onkostenvergoeding. Het gaat om een totaalbedrag van € 21.773. Gezamenlijk is dit € 90.923. Volgens verweerder staan tegenover deze vergoeding echter geen aannemelijke kosten en is de leningsovereenkomst opgesteld nadat de bedragen zijn verstrekt en er is niets opgenomen omtrent rente of terugbetaling. Er zouden op een later moment afspraken worden gemaakt omtrent rente en aflossing, maar daar is nooit iets van overgelegd. Tevens stroken een aantal omschrijvingen bij de overboekingen niet met hetgeen men mag verwachten als bedragen als lening worden verstrekt ('Declaraties', 'diverse onkosten', 'declaraties', 'taxiboeken.nl', 'vsch telefoon'), aldus verweerder. De volgens de aangifte verschuldigde belasting (nihil) is derhalve zowel in absolute als relatieve zin aanzienlijk lager dan de verschuldigde belasting, aldus verweerder.
43. Eiser stelt zich op het standpunt hij geen inkomsten heeft genoten in 2016, en dat [A] AG per oktober 2016 is opgehouden te bestaan. De in 2016 van Stichting [L] ontvangen bedragen betreffen onkostenvergoedingen. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de bedragen zijn ontvangen op grond van de geldleningsovereenkomst die hij op 24 april 2016 is overeengekomen met Stichting [L] , en dat hij deze gelden heeft gebruikt om te voorzien in levensonderhoud.
44. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser tevens in 2016 inkomsten heeft gehad, te weten gebruikelijk loon. Ook in 2016 had hij een aanmerkelijk belang in [A] AG en is aan hem de managementfee van € 8.000 euro per maand toegekend waarbij het aannemelijk is dat hij daarvoor werkzaamheden verrichtte. Eiser viel aldus onder de gebruikelijk loonregeling van artikel 12a van de Wet LB. Tevens heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de managementfees zijn verwerkt in de rekening-courant en dat eiser de managementfees heeft ontvangen in de vorm van betalingen van Stichting [L] aan de partner van eiser. De bankrekening van Stichting [L] werd immers gebruikt door [A] A.G. Bovendien is, anders dan eiser aanneemt bij zijn stellingen, bij de vraag of het gebruikelijk loon daadwerkelijk is genoten niet van belang of het loon ook daadwerkelijk (en volledig) aan hem is uitbetaald, omdat hij op grond van de regeling wordt geacht het te hebben genoten (zie artikel 13a, derde lid, van de Wet LB). De stelling dat [A] AG per oktober 2016 is opgehouden te bestaan heeft eiser niet met nadere gegevens onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. Van een pleitbaar standpunt van eiser is geen sprake op grond van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 31 is overwogen.
45. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, en dat ten aanzien van het inkomen van eiser in 2016 sprake is van een redelijke schatting. Eiser is er niet in geslaagd aan te tonen dat de aanslagen onjuist zijn. Gelet op het voorgaande dienen de aanslagen IB/PVV en ZVW 2016 te worden gehandhaafd.
Belastingrente46. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden daartegen aangevoerd. Nu de (navorderings)aanslagen niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrenten.”

5.Beoordeling van het geschil

Goede procesorde
5.1.
Partijen kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen (artikel 8:58 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb)). Bij de beantwoording van de vraag of anderszins minder dan tien dagen voor de zitting of ter zitting naar voren gebrachte nieuwe grieven en stukken toelaatbaar zijn, tot uitstel nopen of tardief verklaard dienen te worden, worden de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen en worden daarbij de reden van de late indiening en de reactie(mogelijkheden) van de wederpartij betrokken. De rechter dient daarbij de goede procesorde te bewaken en erop toe te zien dat de wederpartij niet in zijn procesvoering wordt geschaad.
5.2.
Het hoger beroep in deze zaak is op 4 december 2023 door belanghebbende ingesteld (zie het procesverloop onder 1). Partijen hebben aanvankelijk geprobeerd tot een compromis te komen en gedurende die tijd heeft belanghebbende begrijpelijkerwijs volstaan met een summier gemotiveerd hoger beroep, dat in wezen een herhaling van het bij de rechtbank betoogde behelsde. Nadat echter in augustus 2025 duidelijk werd dat de zaak toch door het Hof behandeld zou moeten worden, heeft belanghebbende geen nadere stukken ingediend en een aantal maal om uitstel van de zitting verzocht (zie 1.9), totdat belanghebbende minder dan tien dagen voor de geplande zitting van 2 februari 2026 een notitie en 14 (nieuwe) producties indiende (zie 1.10). Op de ochtend van die geplande zitting bleek belanghebbendes gemachtigde ziek te zijn (zie 1.11), waarop het Hof de zitting heeft geschorst. De zitting is hervat op 10 maart 2026. Op die vervolg-zitting kwam belanghebbende met een ‘definitieve pleitnota’ van 18 bladzijden en een bijlage daarbij, in de vorm van een spiraalbinding van circa 1 cm dik met daarin nieuwe producties genummerd 15 tot en met 18 (de nieuwe bijlagen).
5.3.
Ten aanzien van de nieuwe bijlagen hebben partijen het volgende naar voren gebracht. De inspecteur stelt dat de nieuwe bijlagen te laat zijn overgelegd. Het gaat om oude stukken, zelfs uit het jaar 2016, die eerder hadden kunnen worden ingebracht. Op al deze stukken kan de inspecteur ter zitting van het Hof niet goed reageren. Belanghebbende heeft toegelicht dat het overleggen van een aantal stukken (zoals een overzicht van aandelen) eerder is vergeten en dat van stukken uit het (omvangrijke) strafdossier pas op een laat moment is bedacht dat deze ook nuttig konden zijn.
Het Hof heeft op de zitting besloten de nieuwe bijlagen niet als gedingstuk toe te laten.
Hierbij heeft het Hof alle omstandigheden van het geval meegewogen, waaronder de belangen om de stukken alsnog in te dienen en de omstandigheden dat het gaat om een omvangrijk pakket nieuwe stukken van feitelijke aard, dat deze stukken eerder konden worden ingediend, dat een inhoudelijke reactie van de wederpartij daarop ter zitting niet goed mogelijk is en dat de zaak al lange tijd aanhangig is. Hierbij tekent het Hof tevens aan dat de zitting aangevangen is op 2 februari 2026, dat voor die zitting ook binnen de tiendagentermijn nieuwe stukken zijn ingediend (en toegelaten) en dat de zitting op 10 maart 2026 niet meer was dan de voortzetting van die op 2 februari 2026 begonnen zitting, zodat het indienen van vorenbedoelde nieuwe bijlagen bij die voortzetting al helemaal niet aan de orde zou moeten zijn. Het Hof is tot het oordeel gekomen dat inbrengen van de nieuwe bijlagen de goede procesorde zou schenden en heeft de nieuwe bijlagen tardief verklaard.
5.4.
In de ‘definitieve pleitnota’ (blz. 11-12) heeft belanghebbende onder meer de nieuwe stelling ingenomen dat hij tot medio 2014 niet binnenlands belastingplichtig is, omdat hij in Brazilië en Zwitserland woonde. De inspecteur acht de stelling tardief en betwist deze, aangezien in de stukken staat dat belanghebbende in [Z] woonde.
Het Hof heeft belanghebbende op de zitting voorgehouden dat deze nieuwe stelling haaks staat op de eerdere gedingstukken. In de ‘opzet pleitnotitie’ van belanghebbende met datum 25 januari 2026 (blz. 3) staat immers expliciet ‘Nu er sprake is van een Nederlands belastingplichtige is de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing’. Deze stelling van belanghebbende is diametraal anders dan de tot nog toe ingenomen standpunten en vergt een nieuw onderzoek van feitelijke aard, daarbij komt nog hetgeen het Hof onder 5.3 reeds heeft overwogen. Het Hof acht deze ter zitting ingenomen stelling in strijd met de goede procesorde en dus tardief.
Op de zaak betrekking hebbende stukken en bewijs
5.5.
Volgens belanghebbende heeft de rechtbank ten onrechte bewijskracht aan het P-V toegekend, omdat dit niet meer dan een weergave van de visie van een verbalisant is. Zonder onderliggende stukken kan wat in het P-V staat niet voor waar worden aangenomen, aldus belanghebbende. De inspecteur heeft op de zitting bij de rechtbank verklaard dat hij alle stukken die hem ter beschikking hebben gestaan heeft overgelegd.
5.6.
Tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb over te leggen stukken kunnen ook stukken behoren die zijn opgesteld of vergaard door een ambtenaar die behoort tot een ander organisatieonderdeel van de Belastingdienst dan dat van de inspecteur, zoals de FIOD. Hetzelfde geldt voor stukken die zijn opgesteld of vergaard door personen of instellingen buiten de Belastingdienst, zoals het Openbaar Ministerie. In beide gevallen geldt echter dat slechts kan worden gesproken van stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb indien deze stukken de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan. De inspecteur is ook niet gehouden om informatie uit het strafdossier op te vragen (HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:995).
5.7.
Het Hof hecht geloof aan de verklaring van de inspecteur dat hij alle stukken heeft overgelegd die hem ter beschikking hebben gestaan. Het dossier geeft geen aanleiding dit te betwijfelen en dus ook niet om stukken op te vragen. Het opleggen van de (navorderings)aanslagen is gebaseerd op en te herleiden tot wat er in het P-V staat en de bijlagen die de inspecteur daarbij van het Openbaar Ministerie/ de FIOD heeft gekregen (zie hierboven onder de feiten). Het is vervolgens aan het Hof om het aangedragen bewijs, waaronder het P-V, te wegen. Er is geen reden het P-V als bewijsmiddel uit te sluiten.
5.8.
Op de zitting bij het Hof heeft belanghebbende gesteld dat de administratieve bescheiden die bij [E] (of op het adres van zijn zus) zijn aangetroffen als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing zouden moeten blijven. Hoewel belanghebbende dit als een reeds eerder ingenomen stelling beschouwt, is deze naar het oordeel van het Hof in deze juridische formulering nieuw. Verder is nieuw dat belanghebbende stelt dat ten onrechte een extra huiszoekingsadres is toegevoegd voor de FIOD-inval en dat het bewijs daarom onrechtmatig verkregen is. De inspecteur heeft de stelling bij gebrek aan wetenschap betwist.
5.9.
Het Hof stelt voorop dat geen rechtsregel ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van de belastingschuld. In elk geval is het gebruik van dergelijk bewijs niet ongeoorloofd indien de bewijsmiddelen niet als jegens de belanghebbende op onrechtmatige wijze verkrijgen kunnen worden beschouwd. Zelfs als dat wel het geval zou zijn, dan zijn bewijsmiddelen slechts dan uitgesloten indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (HR 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028 en HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154).
5.10.
Het Hof ziet geen aanleiding de bewijsstukken die de inspecteur van de FIOD heeft verkregen als bewijsmiddel uit te sluiten. Belanghebbendes stelling is (na het tardief verklaren van de nieuwe bijlagen) met niets onderbouwd. Wordt er evenwel veronderstellenderwijs van uitgegaan dat de FIOD ten onrechte een huiszoeking heeft gedaan bij (de zus van) [E] , dan is hiermee niet een onrechtmatigheid
jegens belanghebbendebegaan. De norm die belanghebbende inroept, beschermt een ander. Maar zelfs al zou de huiszoeking bij (de zus van) [E] wel jegens belanghebbende onrechtmatig zijn, dan nog bevatten de gedingstukken geen grond voor het oordeel dat het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Er is geen reden om door de inspecteur aangedragen bewijs uit te sluiten voor het vaststellen van de onderhavige belastingschuld (en de boete is daarop niet gegrond).
Bewijslast, navordering en kwade trouw
5.11.
De inspecteur stelt dat hem de bevoegdheid na te vorderen over de jaren 2014 en 2015 toekomt, omdat sprake is van een nieuw feit, dan wel kwade trouw. Verder betoogt de inspecteur voor de jaren 2015 en 2016 dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Belanghebbende stelt zich op het tegenovergestelde standpunt.
5.12.
Het rechtskader en de verdeling van de bewijslast is door de rechtbank in ro. 18, 23 en 24 op juiste wijze uiteengezet. Hieraan voegt het Hof toe dat navordering ook mogelijk is indien de inspecteur na het opleggen van de navorderingsaanslag een ander nieuw feit bekend is geworden dan het feit dat aanvankelijk aan de navordering ten grondslag was gelegd, ook als dat andere nieuwe feit pas bekend is geworden na het verstrijken van de navorderingstermijn (een ‘nieuw nieuw feit’, zie HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7190, ro. 3.4).
5.13.
Het Hof stelt vast dat belanghebbende in de jaren 2014, 2015 en 2016 geen bekende inkomensbron heeft en geen bankrekening of bekend vermogen. Aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat niemand van de lucht kan leven, moet er wel geld zijn geweest. Dit mede in het licht van de volgende omstandigheden: belanghebbende heeft een huurwoning met een huur van circa € 2.300 per maand, betaalt een aanzienlijke boete maandelijks af, heeft kosten voor zijn kinderen en moet in zijn eigen levensonderhoud voorzien.
5.14.
Belanghebbende heeft verklaard en het staat in de overeenkomst, dat belanghebbende om te voorzien in zijn levensonderhoud geld heeft geleend van Stichting [L] (zie 2.6 en 3.2 P-V).
Hierover overweegt het Hof als volgt. De overeenkomst spreekt van regelmatig verstrekte geldbedragen, zowel contant als via bankovermaking in een bepaalde periode sinds maart 2014. De tekst van de overeenkomst is daarmee verre van concreet, terwijl concreetheid wel te verwachten valt bij een leningsbedrag van € 97.000 aan iemand zonder inkomen. Bovendien is deze pas achteraf, in 2016, opgesteld. Verder komt de inhoud van de overeenkomst niet overeen met de feitelijke handelswijze. Ten eerste heeft belanghebbende via de bankrekening van mevrouw [G] veel meer gelden ontvangen dan genoemd in de overeenkomst, en ook niet alleen in de in de overeenkomst genoemde periode. En ten tweede zijn vóór 31 december 2016 geen afspraken gemaakt over rente, kosten, noch over terugbetaling. In de ‘opzet pleitnotitie’ van belanghebbende met datum 25 januari 2026 staat immers dat de gemachtigde (Beune) kan “bevestigen dat hij de opdracht van nieuwe financiers heeft om de terugbetaling van de leningen te onderzoeken en zo snel mogelijk uit te voeren”. Er is dus meer dan tien jaar na dato nog steeds niets terugbetaald door belanghebbende. Dat een reële terugbetalingsplicht is overeengekomen is niet aannemelijk. Gelet op al hetgeen in deze overweging staat, acht het Hof ongeloofwaardig dat daadwerkelijk een geldlening zoals in de overeenkomst beschreven tot stand is gekomen tussen belanghebbende en Stichting [L] .
5.15.
Het in 5.13 en 5.14 overwogene leidt tot de gevolgtrekking dat belanghebbende geen geloofwaardige of anderszins aannemelijke verklaring heeft voor de wijze waarop hij in de onderhavige jaren in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Belanghebbende moet, bij gebreke van vermogen, gelet op zijn levensstandaard, een aanzienlijke bron hebben gehad waaruit hij inkomsten heeft genoten. Dat het geld er geweest moet zijn lijdt geen enkele twijfel, nu belanghebbende zelf heeft verklaard dat hij heeft geleefd van de door Stichting [L] op de bankrekening van mevrouw [G] overgemaakte en contant gegeven gelden, met dien verstande dat het bestaan van een lening ongeloofwaardig is gevonden. Ook is hiermee het verband gelegd tussen de grootboekboekrekeningen die in de administratie van [E] zijn aangetroffen en de bij belanghebbende terechtgekomen gelden. In het grootboek zijn ook de boekingen te vinden van gelden die als management fee zijn geboekt (zie 2.5 en 2.8). Verder is duidelijk dat belanghebbende niet alleen gelden van Stichting [L] heeft ontvangen in de jaren 2014 en 2015 zoals hij heeft verklaard, maar ook in 2016 en ook van [B-1] en [E] (zie 2.9). Uit het opgenomen gesprek dat belanghebbende met [C] voerde over deze boekingen wordt temeer duidelijk dat belanghebbende zich terdege ervan bewust was dat hij over zijn inkomsten belasting had moeten betalen (zie 3.4 van het P-V). Belanghebbende ontkent het voeren van dat gesprek weliswaar, maar heeft zelf nagelaten om openheid van zaken te geven over de informatie uit zijn strafdossier, terwijl de FIOD-bijlagen die wel tot de gedingstukken behoren, bevestigen wat er in het P-V staat. Een en ander leidt tot de conclusie dat er voor dit geding van moet worden uitgegaan dat belanghebbende te kwader trouw is geweest door een aanzienlijk inkomen te verzwijgen.
5.16.
Dat belanghebbende te kwader trouw was betekent dat over het jaar 2015 nagevorderd mocht worden, en dat in het midden kan blijven of er een nieuw feit was. Voor het jaar 2015 is in zoverre sprake van rechtmatige navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW (voor het jaar 2016 zijn aanslagen IB/PVV en ZVW opgelegd). Verder brengt dit mee dat de bewijslast voor de jaren 2015 en 2016 omgekeerd en verzwaard dient te worden, aangezien aannemelijk is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan door een substantieel inkomen daarin niet te verantwoorden en hij zich ervan bewust was of minst genomen moest zijn dat door het doen van de onjuiste aangifte een aanzienlijk belastingbedrag niet zou worden geheven indien die aangifte zou worden gevolgd.
5.17.
Voor het jaar 2014 ligt zulks echter anders.
- Voor het jaar 2014 is belanghebbende niet uitgenodigd om aangifte te doen en zijn aan hem geen vragen gesteld op de voet van artikel 47 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Deze omstandigheden brengen met zich mee dat op belanghebbende niet de wettelijke verplichting rustte om juiste gegevens aan de inspecteur te verstrekken en daarom niet op grond van de aanwezigheid van kwade trouw nagevorderd kan worden (HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, ro. 3.1.3).
- Verder is aan belanghebbende geen aanslag IB/PVV of ZVW voor het jaar 2014 opgelegd. Dat betekent dat de op 29 augustus 2017 van de FIOD verkregen informatie over het onderzoek (zie 2.4) geen nieuw feit vormt dat navordering kan rechtvaardigen (anders ro. 21 en 22 van de rechtbank), omdat tot 31 december 2017 nog een aanslag voor het jaar 2014 had kunnen worden opgelegd. Nu de inspecteur juist stelde dat deze informatie het nieuwe feit voor navordering was, staat daarmee vast dat de inspecteur op basis van die verkregen informatie een aanslag kon opleggen, althans, heeft hij het tegendeel niet aannemelijk gemaakt (vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:638, ro. 3.2.3).
- Dit betekent dat navordering over het jaar 2014 enkel nog mogelijk is, indien de inspecteur over een ‘nieuw nieuw feit’ beschikt dat navordering kan rechtvaardigen.
5.18.
De inspecteur stelt dat de op 26 januari 2026 als productie 4 door belanghebbende aan het Hof toegezonden overeenkomst tussen [P] en [A] een ‘nieuw nieuw feit’ oplevert. Belanghebbende ondertekent die overeenkomst op 10 oktober 2014 als managing director van [P] (zie 2.7). Dit brengt volgens de inspecteur mee dat aan belanghebbende in het jaar 2014 een gebruikelijk loon toegerekend dient te worden vanwege de aanwezigheid van een (indirect, via [A] gehouden) aanmerkelijk belang in [P] . De inspecteur onderbouwt het bestaan van dat aanmerkelijk belang met een verwijzing naar de Investeringsprospectus van [B-2] AG en het daarin vermelde 100%-aandelenbelang van [A] in [P] (zie 2.12). Belanghebbende weerspreekt dat hij aandeelhouder is van [A] . Hij wijst erop dat [A] aandelen aan toonder heeft uitgegeven (zie 2.7) en dat niet bekend is wie deze bezit. De prospectus is niet meer dan een plan, aldus belanghebbende. Het Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2014 een (indirect) aanmerkelijk belang in AMB heeft, gelet op de met stukken afdoende onderbouwde weerspreking van de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang in [A] (en dus ook in [P] ).
5.19.
Dat betekent dat de conclusie is dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor het jaar 2014 over een navordering rechtvaardigend nieuw feit beschikt en dat ook niet wegens de aanwezigheid van kwade trouw nagevorderd kan worden. Deze conclusie brengt daarom mee dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over het jaar 2014 en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente niet in stand kunnen blijven. Het hoger beroep tegen deze navorderingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente is gegrond.
De hoogte van de opgelegde (belasting)aanslagen voor 2015 en 2016
5.20.
Belanghebbende verzet zich tegen de hoogte van de opgelegde (navorderings)aanslagen. Naar zijn opvatting heeft de inspecteur niet voldoende bewijs om het genieten van (belastbaar) inkomen in de onderhavige jaren aan belanghebbende toe te schrijven, aangezien hij gelden heeft geleend van Stichting [L] , de managementfee van [A] tot een nader te bepalen tijdstip niet uitbetaald werd (zie 2.5) en de gebruikelijk loonregeling geen toepassing vindt op belanghebbende. De inspecteur stelt zich op het tegenovergestelde standpunt.
5.21.
Indien de inspecteur een (navorderings)aanslag oplegt (met toepassing van de normale bewijslastverdeling) en daarbij niet aangegeven inkomen in de heffing wil betrekken, rust op hem de bewijslast dat dit inkomen door belanghebbende is genoten. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, kan de inspecteur het inkomen op basis van een schatting vaststellen. In een dergelijk geval is niet nodig dat de inspecteur aannemelijk maakt uit welke bron van inkomen de bedragen afkomstig zijn (HR 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466). Wel geldt als uitgangspunt dat de berekening van die belastingaanslag redelijk en dus niet willekeurig is. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een belastingaanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. De inspecteur zal op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de belastingaanslagen redelijk en dus niet willekeurig is (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093).
5.22.
Zoals hiervoor in 5.13 tot en met 5.15 overwogen acht het Hof, op basis van de gewone bewijslast, aannemelijk dat belanghebbende in alle jaren een aanzienlijk geldbedrag ter beschikking heeft gehad om van te leven. Inkomen dat niet afkomstig is uit van Stichting [L] geleende gelden, maar uit een belastbare bron van inkomen. Hierbij komt hetgeen in het P-V staat het Hof als plausibel voor, aangezien dit wordt ondersteund door verklaringen van belanghebbende zelf en de bijlagen van de FIOD. Belanghebbende zelf heeft verder geen enkele opening van zaken gegeven, ook niet nadat de strafrechtelijke procedure tegen hem was afgerond (zie 2.13). Het kan niet anders dan dat belanghebbende bepaalde activiteiten heeft verricht waarvoor aan hem geldbedragen zijn verstrekt. Het dossier geeft naar het oordeel van het Hof volstrekt onvoldoende aanwijzingen voor enig ander serieus te nemen scenario. Belanghebbende heeft ook over die gelden beschikt, via ontvangen bedragen in contanten en via de rekening van mevrouw [G] . De inspecteur mocht dan ook belastbaar inkomen uit werk en woning in box 1 in aanmerking nemen. Dat niet precies te duiden valt uit welke activiteiten de bedragen zijn opgekomen, komt naar het oordeel van het Hof voor rekening van belanghebbende.
5.23.
Ook de hoogte van de (navorderings)aanslagen is gefundeerd en de schattingen zijn in zoverre redelijk en niet willekeurig. Nu immers de grootboekrekeningen die bij [E] zijn aangetroffen in verband staan met de op de rekening van mevrouw [G] ontvangen bedragen, is het ontvangen van de management fee gelden daarmee voldoende aangetoond en komen ook de andere boekingen aannemelijk voor. Dit laatste wordt gesteund door de omschrijvingen die te zien zijn op de bankrekeningen van Stichting [L] , [B-1] en [E] . Dit betekent dat het Hof de schattingen van € 96.000 aan inkomen uit werk en woning, respectievelijk bijdrage-inkomen redelijk en niet willekeurig acht, omdat belanghebbende:
  • in 2015 ten minste € 64.000 van Stichting [L] heeft genoten en daarbij nog meer dan € 90.000 uit zijn oplopende rekening courant, waarvan een deel in contanten (zie 2.5, 2.6 en 2.8);
  • in 2016 bedragen van € 69.150 en € 21.733 (tezamen € 90.883) via bankoverschrijvingen heeft ontvangen (zie 2.9) en dat daarnaast voor de hand ligt dat ook in dit jaar sprake is geweest van contante gelden.
Daartegenover heeft belanghebbende onvoldoende aangevoerd om te doen blijken dat zijn inkomen lager was dan € 96.000.
Slotsom (navorderings)aanslagen 2015 en 2016 en belastingrente
5.24.
De slotsom is dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over het jaar 2015 en de aanslagen IB/PVV en ZVW voor het jaar 2016 terecht zijn opgelegd en in stand blijven. Aangezien tegen de belastingrentebeschikkingen geen specifieke klachten zijn gericht en de (navorderings)aanslagen in stand blijven, is er geen aanleiding de beschikkingen te verminderen. Het hoger beroep tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over het jaar 2015 en tegen de aanslagen IB/PVV en ZVW voor het jaar 2016 is ongegrond.
Boete 2016
5.25.
Bij de aanslag IB/PVV voor 2016 is op grond van artikel 67a AWR een verzuimboete van € 369 opgelegd, omdat na aanmaning niet binnen de gestelde termijn aangifte is gedaan. Dat belanghebbende is uitgenodigd (herinnerd) en aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 te doen wordt niet betwist. De eerst ter zitting van het Hof opgeworpen stelling dat de boete moet vervallen omdat aangifte is gedaan, miskent dat de boete niet is opgelegd voor het niet doen van aangifte, maar vanwege het na de in de aanmaning gestelde termijn indienen daarvan. Daarover heeft belanghebbende niets gesteld. De inspecteur heeft aan zijn bewijslast overtuigend aan te tonen dat de boete terecht is opgelegd voldaan.
Het Hof acht de boete passend en geboden en ziet geen reden deze te matigen vanwege de duur van de procedure, reeds omdat het bedrag van de boete minder dan € 1.000 bedraagt, en zal voor zover nodig volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (Hof 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297).
Vergoeding van immateriële schade
5.26.
Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding van € 1.009 in verband met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De redelijke termijn voor berechting van twee jaren is in hoger beroep overschreden met afgerond niet meer dan zes maanden (het hoger beroep is ingediend op 4 december 2023). Dit levert volgens de uitgangspunten van de Hoge Raad een verondersteld immateriële schadebedrag van € 500 op (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Voor een hogere vergoeding, zoals belanghebbende voorstaat, bestaat geen aanleiding. De termijnoverschrijding is geheel toerekenbaar aan de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).

6.Kosten

Het Hof zal de inspecteur veroordelen in de proceskosten van belanghebbende voor door een derde verleende beroepsmatige bijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat het hoger beroep tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over 2014 gegrond is. Vanwege deze gegrondverklaring zal het Hof de in beroep door de rechtbank reeds toegekende proceskostenvergoeding opnieuw vaststellen, waarbij het uitgaat van het door de rechtbank vastgestelde en niet in geschil zijnde aantal proceshandelingen voor twee gegronde zaken en dat alsnog een vergoeding van de kosten van bezwaar dient te worden toegekend. De kosten van bezwaar worden vergoed tot € 666 (bezwaarschrift x € 666 x wegingsfactor 1). De proceskosten in beroep worden vergoed tot € 2.335 (2,5 punt x € 934 x wegingsfactor 1). De proceskosten in hoger beroep worden vergoed tot € 1.868 (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting = 2 punten x € 934 x wegingsfactor 1 voor een zaak van gemiddelde zwaarte). In totaal is dit een bedrag van € 4.869. Het Hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid af te wijken van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

7.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het betreft de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2014, de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente en de toegekende proceskostenvergoeding en bevestigt deze uitspraak voor het overige;
  • verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2014 en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2014 en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente;
  • vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2014 en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente;
  • veroordeelt de Staat in de door belanghebbende in hoger beroep aanvullend geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.869;
  • gelast de inspecteur het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 136 te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.