Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
- belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en er op die grond reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast;
- zo ja, of belanghebbende heeft doen blijken dat de bestreden aanslag onjuist is, en of de inspecteur de aanslag heeft vastgesteld op basis van een redelijke schatting;
- de verzuimboete van € 226 terecht is opgelegd.
4.Overwegingen van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep
6.Kosten
- beroep bij de rechtbank: 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x € 496 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.488;
- hoger beroep: 2 (verweerschrift in hoger beroep (tevens beroepschrift in het incidentele hoger beroep) en verschijnen ter zitting) x € 496 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.488;
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de verzuimboetebeschikking;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2011 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.000 en een gecombineerde heffingskorting van € 1.987;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.976;
- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 45 (beroep bij de rechtbank) te vergoeden.