Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
zetelende te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
4.Beslissing
14 april 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal hoe de schadeloosstelling na onteigening moet worden berekend, met name in relatie tot de eliminatieregel van artikel 40c van de Onteigeningswet. Eiser had beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 december 2015, waarin de schadeloosstelling was vastgesteld.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Breda en Zeeland-West-Brabant voor het geding in feitelijke instantie en behandelt in cassatie uitsluitend de klachten van eiser. De klachten zijn niet ontvankelijk geacht omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep is gevolgd. De Hoge Raad veroordeelt eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en blijft de schadeloosstelling zoals vastgesteld in stand.
De uitspraak verduidelijkt dat de eliminatieregel ook betrekking kan hebben op waardevermeerdering van de overblijvende grond en bevestigt de toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent schadeloosstelling bij onteigening.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.