Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een rapvideo geplaatst op YouTube waarin de verdachte beledigende uitlatingen deed over homoseksuelen en joden. Het hof oordeelde dat de uitlatingen, zoals "Flikkers geef ik geen hand" en "Ik haat die fucking joden nog meer dan de nazi's", zowel op zichzelf als in context beledigend zijn in de zin van artikel 137c Sr.
De verdediging voerde aan dat de uitlatingen binnen de artistieke expressie vielen en niet per definitie beledigend waren, waarbij ook werd gesteld dat de term "flikker" in straattaal niet noodzakelijkerwijs op homoseksuelen sloeg. Het hof verwierp deze argumenten en stelde dat de verdachte zijn artistieke vrijheid heeft misbruikt om beledigingen te uiten.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en herhaalde het toetsingskader voor groepsbelediging en de grenzen van artistieke vrijheid. De veroordeling werd gehandhaafd omdat de uitlatingen niet functioneel waren binnen de rap en onnodig grievend waren. Het beroep in cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens groepsbelediging in een rapvideo met beledigende teksten over homoseksuelen en joden.