Conclusie
vooralsnogmoet wijken voor het belang van de Staat bij een ongestoord verloop van de strafzaak. In cassatie komen de advocaten tegen dat oordeel op.
1.Feiten en procesverloop
image-kopie’ en een ‘werkkopie’ gemaakt. De werkkopie is overgezet in een softwareprogramma waarmee grote hoeveelheden data kunnen worden geïndexeerd en doorzocht.
image-kopie. Ook met betrekking tot deze nieuwe werkkopie zijn met behulp van zoektermen mogelijke geheimhoudersstukken geselecteerd, waarna de desbetreffende bestanden zijn ‘uitgegrijsd’.
(...) De rechtbank stelt vast dat de door klagers geschetste gang van zaken haar in het licht van de e-mails en verslagen niet onaannemelijk voorkomt en overigens ook niet door de officier van justitie wordt weersproken. Uit die gang van zaken blijkt dat de advocaten in een zeer vroeg stadium bij de opdracht aan [het accountantskantoor] betrokken waren en dat van een feitelijke opdracht door de Raad van Commissarissen toen nog geen sprake was. Voorts stelt de rechtbank vast dat het inschakelen van [het accountantskantoor] verband hield met de door [de vermogensbeheerder] aan de advocaten toevertrouwde kwestie omtrent de verdenking van valsheid in geschrifte en witwassen. De rechtbank komt op grond van dit alles tot de conclusie dat [het accountantskantoor] door de advocaten in het licht van een behoorlijke vervulling van hun taak als deskundige werd ingeschakeld.
de rechtmatigheid met betrekking tot het gebruik van geprivilegieerde communicatie door FIOD en OM;
de rechtmatigheid van de doorzoeking en inbeslagneming van de informatie bij de [onderzoeker/accountant bij het accountantskantoor];
de rechtmatigheid van de kennisneming en het gebruik van de [door het hostingbedrijf verstrekte gegevens];
het niet consulteren van de Deken van de Orde van Advocaten door de rechter-commissaris over de vraag of en in hoeverre het verschoningsrecht van [de Advocaten] van toepassing was;
de door de rechter-commissaris toegepaste procedure met betrekking tot het verlenen van digitale ondersteuning bij de analyse en de nadere vastlegging van de digitale datagegevens op de inbeslaggenomen gegevensdrager door medewerkers van de FIOD.
beschikking van 5 juni 2019(ECLI:NL:RBOBR:2019:3107) heeft de rechtbank op de voet van art. 28 Rv Pro de Staat bevolen al hetgeen in de procedure aan de orde is gesteld, geheim te houden, zij het met de beperking dat dit niet mededelingen in de strafrechtelijke procedure betreft. De rechtbank heeft het door de Advocaten meer of anders verzochte afgewezen.
bij de huidige stand van zakenonvoldoende feitelijk belang hebben bij hun verzoeken (rov. 4.8 – 4.16 Rb). Met de informatie die voor hen reeds beschikbaar is kunnen zij hun proceskansen in een civiele procedure voldoende inschatten en voldoende efficiënt procederen; uit die informatie blijkt welke werkwijze de Staat heeft gehanteerd. Onderzoek naar de vraag of méér verschoningsgerechtigde gegevens in beslag zijn genomen dan bekend is bij de Advocaten zou neerkomen op een ontoelaatbare ‘
fishing expedition’. Volgens de rechtbank kunnen de Advocaten de vermeende schendingen al in kaart brengen door een vergelijking te maken tussen het door de Staat aan hen ter beschikking gestelde materiaal en hun eigen bestanden. Vanwege onevenredigheid van de belangen van de Advocaten in verhouding tot die van de Staat kunnen zij in redelijkheid niet worden toegelaten tot het uitoefenen van hun bevoegdheden (rov. 4.17 – 4.19 Rb).
fishing expedition.
jegens de advocaatonrechtmatig is gehandeld.
fishing expedition; daarvoor is een voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenonderzoek niet bedoeld.
lex specialis, gaan vóór de algemene regel van art. 843a Rv. In elk geval behoren die regelingen niet te worden doorkruist door een verzoek op grond van art. 843a Rv. De Wpg en de Wsjg staan volgens de Staat ook in de weg aan het verzochte voorlopige deskundigenonderzoek, omdat de te benoemen deskundige de beschikking zou moeten krijgen over geprivilegieerde gegevens, die niet verstrekt kunnen worden omdat de gesloten regimes van respectievelijk Wsjg en Wpg daaraan in de weg staan.
tussenbeschikking van 6 augustus 2020(ECLI:NL:GHSHE:2020:2537, TB1), heeft het hof opmerkingen van algemene aard gemaakt (in rov. 3.5.1.1 – 3.5.1.9). Naar aanleiding daarvan heeft het hof overwogen, voor zover in cassatie van belang:
Een dergelijke ontwijkingsmogelijkheid zou geen recht doen aan de in beide wetten opgenomen geheimhoudingsplicht en evenmin aan de regels ter zake informatieverstrekking aan derden/benadeelden die in de kern de verstrekker dwingen tot een zorgvuldige afweging tussen alle betrokken belangen.
19 november 2020een
tweede tussenbeschikkinggegeven. [17] Daarin heeft het hof iedere verdere beslissing aangehouden, tot 14 januari 2021
pro forma,in afwachting van een uitspraak van de Hoge Raad in de procedure over het onder de Staat gelegde bewijsbeslag (zie alinea 1.2 onder (xxxiii) – (xxxix) hiervoor).
derde tussenbeschikking van 28 januari 2021 [18] heeft het hof deze aanhouding verlengd tot 18 maart 2021
pro forma.
30 september 2021 een vierde tussenbeschikkinggegeven (TB4) [20] . In rov. 14.1 heeft het hof de inhoud van HR 19 februari 2021 weergegeven. [21] Na een weergave (in rov. 14.2 – 14.6) van de standpunten van partijen, heeft het hof zich in rov. 14.8 – 14.10 uitgesproken over de doelstelling van de onderhavige verzoeken van de Advocaten, ditmaal beschouwd in relatie tot het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2021. Volgens de Advocaten zou de Hoge Raad in dat arrest hebben geoordeeld dat nodig is dat
alleschendingen van het verschoningsrecht en
allegevolgen daarvan
volledigin kaart worden gebracht
.De Staat betwistte die interpretatie. Naar het oordeel van het hof heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het erom gaat, “de omvang van de schending te kunnen vaststellen”.
feitelijkertoe leiden dat, naast de lopende strafrechtelijke verhoren en mogelijk daaruit voortvloeiend nieuwe onderzoekwensen, en voorafgaand aan, of parallel met, het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak:
op elk denkbare manier de waarheidsvinding zoals door de verdediging voorgesteld” “
belemmert” (…) respectievelijk
“weigert helderheid te verschaffen”in de strafzaak over welke concrete mails zijn gekopieerd, bekeken en verspreid (…). Hierbij benadrukken de Advocaten (…) dat in het civiele getuigenverhoor veel meer kan worden onderzocht, onder meer vanwege een bredere scope dan slechts de artikelen 348, 350 en 359a Sv, en de mogelijkheid bestaat getuigen – als nagenoeg allen blijkens het verzoek in deze zaak bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken – met reeds verkregen bewijs te confronteren etc.
obstructieve opstelling van de zijde van de Staat”, zoals de Advocaten in de onderhavige zaak aanvoeren. Zoals in onderdeel 14.10. (in navolging van HR2021) is aangegeven gaat het in deze zaak immers uitsluitend om het eigen belang van de Advocaten. Het gaat erom of via de burgerlijke rechter onderzoeken (moeten) worden gestart dan wel plaatsvinden naar feiten of de duiding daarvan die
gelijktijdigook in de strafzaak uitdrukkelijk voorwerp van onderzoek of besluitvorming zijn, en wel met inachtneming van de in die strafprocedure geldende regels. Hieronder valt ook het stelsel van interne openbaarheid waarbij eerst de officier van justitie (onder toezicht van de rechter-commissaris strafzaken) en vervolgens de zittingskamer/rechter verantwoordelijk is voor de samenstelling van de processtukken (aldus ook de AG in zijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2020:594, onderdeel 2.37).
In deze zaak gaat het om twee procedures waar dezelfde feiten worden onderzocht (althans dat is de wens) alsook dezelfde rechtsvraag (schending van het verschoningsrecht en zo ja in welke mate en omvang) aan de orde is en betreft het in de kern (nagenoeg) dezelfde partijen/betrokkenen.
thansuitvoeren van de bedoelde pre-processuele verrichtingen zal aldus leiden tot een daadwerkelijke ernstige verstoring van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep, hetgeen aldus in beginsel (zie hierna) een gewichtige reden kan opleveren als bedoeld in artikel 843a Rv (HR2021 onderdeel 3.7.6.) dan wel een zwaarwichtig bezwaar opleveren als bedoeld in de vaste rechtspraak betreffende verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor en een voorlopig deskundigenonderzoek (zie TB 1 onderdeel 3.5.13. alsook de in noot 9 bij HR 2021 genoemde uitspraak van HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, die overigens ook zag op een verzoek m.b.t. de positie van de vermogensbeheerder die in de strafzaak een verdachte is). Ook de Hoge Raad acht het onbelemmerd doorgang vinden van de strafrechtspraak een zwaarwegend maatschappelijk belang (HR2021 onderdeel 3.7.3., slot).
voorlopigmoet wijken, en slechts ‘
zolang dat zwaarwegende belang dat vergt’.Op grond van de weging zal het echter ook kunnen zijn dat het belang van de Staat moet wijken en dat de verstoring voor lief moet worden genomen.
- het feit dat een deel van de te achterhalen feiten en omstandigheden al aan de Advocaten bekend is, ook al is dat naar eigen zeggen – en ook uit het dossier blijkend – meer te danken aan hun eigen vasthoudendheid dan aan transparantie door het OM of de Staat,
- en van
- het feit dat een deel van de gehonoreerde onderzoekswensen in de strafzaak (dan te beoordelen met inachtneming van de aldaar geldende regels) de via onderhavige procedure gewenste informatie – in het bijzonder betreffende de te horen getuigen over de inbreuk op het verschoningsrecht – ook al zal of minstens zal kunnen opleveren.
- Hierbij denkt het hof tevens aan bijvoorbeeld nadere gegevens als door het OM inderdaad aan het dossier toe te voegen lopende de strafzaak, zoals de rechtbank heeft gesuggereerd in haar beschikking van 19 maart 2021, te weten welke concrete e-mailberichten door [de medewerker geheimhouder] aan het onderzoeksteam van de FIOD zijn verstrekt (…).
- Tevens dient mee te wegen dat het eventueel om een
voorlopigop een andere wijze beschermen, als hierna te schetsen.
voorlopig wijken? In beginsel zou het hof het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor thans kunnen afwijzen, omdat een nieuw verhoor na afloop van de strafzaak – en met inmiddels de kennis en informatie die daaruit is gebleken – dan wel op een eerder (beredeneerd) geschikt geacht moment door de Advocaten kan worden verzocht. Met een eerder beredeneerd moment bedoelt het hof een moment waarop het feitenonderzoek en de feitenvaststelling in de strafzaak zodanig is uitgekristalliseerd dat de inzet van civielrechtelijke pre-processuele instrumenten geen daadwerkelijke verstoring meer veroorzaakt. Of en wanneer zich een dergelijk moment voordoet is thans niet te voorspellen. Het zou alsdan aan de Advocaten (als meest gerede partij) zijn om dit via een nieuw verzoek aan te kaarten (…).
pro forma.
beschikking van 10 februari 2022(ECLI:NL:GHSHE:2022:365), TB5, heeft het hof verstaan dat de onderhavige procedure is geschorst en iedere verdere beslissing aangehouden tot 1 januari 2023
pro forma.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nietis te doen om bewijs voor de strafzaak en dat de afwijzingsgrond, genoemd in rov. 3.6.2, zich (dus) niet voordeed (rov. 3.6.3). De Hoge Raad overwoog met het oog op de verdere afdoening van die zaak:
tenzij de rechter anders heeft bepaald. In dit geval heeft het hof in het dictum van TB4 aan de Advocaten uitdrukkelijk verlof verleend om tussentijds cassatieberoep in te stellen. Art. 401a Rv staat derhalve niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
dictumvan de bestreden beschikkingen TB1 en TB4 bevat geen eindbeslissing over de verzoeken die inzet zijn van het geding. Dan blijft de vraag of in de in onderdeel 1 bestreden overwegingen een eindbeslissing kan worden ontwaard. Een eindbeslissing is een uitdrukkelijke, zonder voorbehoud gegeven beslissing over een geschilpunt. Bij de verdere afdoening van de zaak is de rechter in beginsel gebonden aan de eindbeslissingen die hij in een tussenuitspraak heeft gegeven. Of van een zodanige beslissing sprake is, hangt af van de bedoeling van de rechter. Die bedoeling kan mede blijken uit een latere tussenuitspraak of uit de einduitspraak van de rechter die de beslissing gaf. [33]
pro forma-) datum is
op zichzelfgeen eindbeslissing. Zie in gelijke zin de vijfde tussenbeschikking van het hof van 10 februari 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:365), rov. 16.4:
op die peildatumeen daadwerkelijke ernstige verstoring van de strafzaak te duchten was indien het verzoek van de Advocaten om voorlopige getuigenverhoren en een voorlopig deskundigenonderzoek zou worden toegewezen. Die afweging kan mijns inziens worden opgevat als een zodanige, in de overwegingen van het hof besloten liggende eindbeslissing. Het hof had op deze grond meteen kunnen overgaan tot afwijzing van de inleidende verzoeken van de Advocaten. Omdat het hof kennelijk rekening hield met de mogelijkheid dat binnen afzienbare tijd deze afweging anders zou kunnen uitvallen wanneer op een latere datum opnieuw een afweging zal worden gemaakt [36] , heeft het hof de verzoeken niet terstond afgewezen, maar besloten tot het aanhouden van de verdere behandeling van het hoger beroep.
Onderdeel 1.1bevat in de eerste plaats de klacht dat het bestreden oordeel rechtens onjuist is, omdat het, anders dan in HR 7 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1433) [39] , in deze verzoekschriftprocedure
nietgaat om verdachten in een strafzaak die via de civiele rechter bewijs proberen te verzamelen, waarbij dezelfde vragen aan de orde (kunnen) komen of dezelfde feiten (kunnen) worden onderzocht als in hun strafzaak. Het gaat hier om derden (niet-verdachten), namelijk de Advocaten, die vanwege schending van
hun(verschonings-)recht bewijs proberen te verzamelen ten behoeve van zichzelf.
enaannemelijk is dat die omstandigheid zal leiden tot daadwerkelijke verstoring van het onderzoek bij die andere rechter. Het belang dat die verstoring achterwege blijft kan onder omstandigheden zo zwaarwegend zijn dat het belang van de verzoeker bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor daarvoor moet wijken zolang dat zwaarwegende belang dit vergt. Een en ander vergt een afweging van de betrokken belangen, aldus de Hoge Raad (rov. 3.6.7). Het hof heeft deze maatstaf toegepast: dat geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In de redengeving van het arrest van 7 september 2018 is niet beslissend of het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor is gedaan door een persoon die zelf (mede) verdachte is in het strafrechtelijk onderzoek dat dreigt te worden verstoord. Ook de toewijzing van een verzoek om voorlopig getuigenverhoor, gedaan door een derde, kan onder omstandigheden leiden tot daadwerkelijke verstoring van het onderzoek in de strafzaak. Ik noem, ter vergelijking, het voorbeeld van een beweerde benadeelde van een strafbaar feit die niet tevreden is over het verloop van het strafrechtelijk onderzoek en daarom zelf opsporingsonderzoek wil verrichten door in een voorlopig getuigenverhoor mogelijke getuigen te laten horen. Dat is op zichzelf niet ontoelaatbaar, maar dit kan anders zijn indien dit initiatief het strafrechtelijk onderzoek verstoort. Om deze reden gaat deze eerste klacht niet op.
onderdeel 1.2. Dit onderdeel bevat de klacht dat de door het hof “ten onrechte aangebrachte afhankelijkheid” temeer klemt vanwege de in dit onderdeel onder a tot en met f genoemde argumenten.
in zijn geheelwordt beoordeeld. [41] Bij het bepalen of vertraging van de procedure redelijk is, worden enerzijds het belang van elke partij bij een spoedige uitspraak en anderzijds het belang van zorgvuldig onderzoek en een goede procesorde tegen elkaar afgewogen. [42] In de onderhavige zaak heeft het hof zo’n afweging gemaakt. Het hof heeft de Advocaten niet het recht op bewijsvergaring en bewijslevering ontzegd, maar de uitoefening van dit recht uitgesteld en daarbij overwogen: “na afloop van de strafzaak kan alsdan naar de verzoeken gekeken worden dan wel – in geval van tussentijdse afwijzing − opnieuw een verzoek (…) worden gedaan” (TB4, rov. 14.24).
onder awijzen de Advocaten op het door hen aangevoerde argument dat geen concreet uitzicht bestaat op het verdere verloop van de strafzaak, laat staan op het einde daarvan, althans op het door het hof bedoelde − maar niet geconcretiseerde – tijdstip waarop het onderzoek en de feitenvaststelling in de strafzaak zodanig zullen zijn uitgekristalliseerd dat het inwilligen van de verzoeken van de Advocaten niet langer een daadwerkelijke verstoring van de strafzaak veroorzaakt.
onder dgewezen op het argument dat het van belang is, de te horen getuigen zo spoedig mogelijk te confronteren met de informatie die uit de in beslag genomen metadata, het FIOD-journaal of uit het geheimhouderjournaal kan worden verkregen en, aan de hand daarvan, de getuigen nader te bevragen. [44]
niette benutten, mede gelet op de belangen van hun cliënt.
in dit stadiumhouden van het gevraagde voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenonderzoek
nietbehoeft te worden gevreesd voor daadwerkelijke verstoring van de strafzaak. Het hof behoefde zich door die keuzevrijheid van de Advocaten niet te laten weerhouden van zijn beslissing. De slotsom van het voorgaande is dat de onderdelen 1.1 en 1.2 falen.
nu reedshouden van een voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenonderzoek zal leiden tot een ‘daadwerkelijke ernstige verstoring van de strafzaak’ kan, in het kader van een belangenafweging, het oordeel dragen dat het belang van de Advocaten bij inwilliging van hun verzoek
voorlopigmoet wijken.
in het algemeenniet mogelijk zou zijn zolang er nog een strafrechtelijk onderzoek loopt naar feiten en omstandigheden die in het gevraagde voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenonderzoek voorwerp van onderzoek zullen zijn. Het hof heeft onderzocht of door toewijzing (
op het tijdstip van zijn uitspraak)het strafrechtelijk onderzoek wordt verstoord. Daarbij heeft het hof kennelijk het oog op − ten minste − het afwachten en evalueren van de resultaten van het toen lopende getuigenverhoor in de strafzaak. De motiveringsklacht faalt.
onderdeel 1.5valt zonder een nadere motivering niet in te zien waarom het belang van de Advocaten bij voortvarende behandeling van hun verzoeken zou moeten wijken voor een ongestoorde doorgang van een strafprocedure waarin zij zelf geen partij zijn. Met name heeft het hof niet gemotiveerd in welk opzicht, door het (eerder) beschikbaar komen van de informatie, de strafzaak niet ongestoord zou kunnen plaatsvinden indien het verzoek van de Advocaten zou worden toegewezen, of welke voor de strafprocedure vastgestelde regels niet in acht zouden kunnen worden genomen.
Daadwerkelijke verstoring van de strafzaak?)
thans(dat wil zeggen: op 30 september 2021) zal leiden tot een ernstige verstoring van de strafzaak. De rov. 14.13 – 14.20
als zodanigworden in cassatie niet bestreden. Het middel bestrijdt evenmin het daarop volgende oordeel in rov. 14.22 dat
indiensprake is van een daadwerkelijke ernstige verstoring van de strafzaak, dit in beginsel een ‘gewichtige reden’ als bedoeld in art. 843a Rv of een ‘zwaarwichtig bezwaar’ als bedoeld in de rechtspraak betreffende verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor en een voorlopig deskundigenonderzoek, kan opleveren.
onderdelen 2.2 en 2.3bevatten motiveringsklachten die aansluiten bij de rechtsklacht van het vorige onderdeel. Onderdeel 2.2 houdt in dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het (eerder) beschikbaar komen van informatie reeds tot een ‘daadwerkelijke ernstige verstoring’ van de strafzaak leidt. Volgens het onderdeel maakt het hof niet inzichtelijk om welke informatie het hierbij gaat en waarom die informatie zal leiden tot een ernstige verstoring van de strafzaak. Ook om de volgende redenen valt de verstoring volgens het onderdeel niet (zonder meer) in te zien:
in abstractodenkbaar is dat het uitvoeren van de verzochte pre-processuele verrichtingen tot een verstoring van de strafzaak zal leiden. Ik herhaal hetgeen hiervoor is opgemerkt bij de bespreking van onderdeel 2.1. Anders dan in de klacht wordt verondersteld, gaat het in de redenering van het hof niet uitsluitend om de tijdsvolgorde waarin informatie in de strafzaak ter beschikking komt (al kan, bijvoorbeeld, een getuigenverklaring wel inhoudelijk worden beïnvloed indien de ene getuige wel en de andere getuige niet tevoren is geconfronteerd met ander bewijsmateriaal). Waar het hof in rov. 4.21 spreekt over het (bij toewijzing reeds nu van de onderhavige verzoeken) beschikbaar komen van informatie die in de strafzaak niet of nog niet kan worden verkregen, gaat het slechts om één van de gezichtspunten die het hof bespreekt. Daarbij acht het hof van belang dat de aanvullende informatie die – bij toewijzing van één of meer van de verzoeken – ter kennis komt van de twee Advocaten die zowel als verzoeker optreden als in de strafzaak raadsman/raadsvrouw van een der verdachten zijn, zich niet laat afzonderen of beperken en dat een bevel tot geheimhouding op de voet van art. 28 Rv Pro
in dit kaderniet goed uitvoerbaar lijkt (rov. 14.21).
precieszou leiden tot ‘daadwerkelijke ernstige verstoring’ van de strafzaak of het strafrechtelijke onderzoek, gaat dat betoog niet op. De maatstaf is, of
aannemelijk isdat de omstandigheid dat in het voorlopig getuigenverhoor dezelfde vragen aan de orde (kunnen) komen of dezelfde feiten (kunnen) worden onderzocht als in een procedure bij een andere rechter, zal leiden tot daadwerkelijke verstoring van het onderzoek bij die andere rechter. [53]
onderdeel 2.4komt hierop neer dat het verkrijgen van een volledig inzicht in de schendingen van het verschoningsrecht van de Advocaten de inzet is van hun verzoeken: niet valt in te zien hoe enige strafzaak daadwerkelijk ernstig verstoord zou kunnen worden door het bekend worden van hetgeen aangaande die schendingen werkelijk is voorgevallen. De toelichting op onderdeel 2 vermeldt hierover:
Deze rechtspraak omvat mede dat geen plaats is voor bewijsgaring met gebruikmaking van de mogelijkheden van het burgerlijke procesrecht met het oog op een procedure bij een andere rechter (vgl. onder meer HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433 (…), rov. 3.6.2).” [onderstreping toegevoegd, A-G]
nietbekend zijn met het resterende deel. Volgens de klacht gaat het niet alleen om bekendmaking van de personen die kennis hebben genomen van geprivilegieerde documenten, maar ook om de vraag wat vervolgens daarmee is gedaan. Met betrekking tot punt (ii) houdt het onderdeel in dat het openbaar ministerie op elke denkbare wijze heeft geprobeerd de onderzoekwensen van de verdediging tegen te houden. [58] Wat het hof in rov. 14.24 heeft overwogen benadrukt volgens het onderdeel juist het belang van de Advocaten bij een
onmiddellijketoewijzing van hun verzoek.
tijdelijkeblokkade van waarheidsvinding via de onderhavige procedure, die over de belangen van de Advocaten voor zich gaat (rov. 14.24). Tot slot heeft het hof meegewogen het belang van de Advocaten om op korte termijn meer duidelijkheid voor zichzelf te verkrijgen en hun belang om geen bewijs of onderzoeksmogelijkheid te verliezen (rov. 14.25 e.v.). Aldus heeft het hof in het kader van de te maken belangenafweging (rov. 14.23) een inzichtelijke afweging gemaakt tussen enerzijds het belang van de Advocaten bij een voortvarende behandeling van de onderhavige verzoeken en anderzijds het belang van de Staat dat de aan de orde zijnde strafprocedure zoveel als mogelijk ongestoord en met inachtneming van de daarvoor vastgestelde regels doorgang kan vinden. De twee door het hof genoemde aspecten waartegen het onderdeel specifiek opkomt, vormen onderdeel van de gemaakte belangenafweging. Onjuist dan wel onbegrijpelijk is het bestreden oordeel niet. Ook onderdeel 2.5 faalt.
onderdeel 3.1nemen de Advocaten tot uitgangspunt dat het hof in rov. 3.5.1.10 van TB1 en rov. 14.10 van TB4 van oordeel is dat het hen erom gaat, de omvang van de schendingen van hun verschoningsrecht te kunnen vaststellen, hetgeen volgens het hof niet betekent dat, zoals zij stellen, ‘de volledige waarheid’ boven water zou moeten komen. Volgens de klacht is dit laatste rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat voor het vaststellen van de omvang van de schendingen van het verschoningsrecht nodig is dat de volledige waarheid boven tafel komt. In elk geval heeft het hof niet inzichtelijk gemaakt waarom, of in welk opzicht, de volledige waarheid voor de Advocaten verborgen zou moeten blijven.
alleschendingen en
allegevolgen daarvan
volledigin kaart worden gebracht. Het hof heeft dat niet in die overweging van de Hoge Raad kunnen lezen. Ook ik ben van mening dat de Advocaten in die overweging van de Hoge Raad méér lezen dan er staat; ik verwijs naar de tekst van de genoemde rov. 3.2.3. Daar is sprake van een in beginsel bestaande aanspraak op inzage in (of afschrift/uittreksel van) gegevens die onder de werking van de Wet politiegegevens of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens vallen, “teneinde de omvang van de schending te kunnen vaststellen”.
NJ1998/414:
NJ2010/542, rov. 3.6.1, en HR 22 februari 2008, LJN BB3676,
NJ2010/543, rov. 3.5.2).”
alleschendingen en
allegevolgen daarvan
volledigin kaart worden gebracht; zie ook rov. 3.5.1.9 en 3.5.1.10 van TB1. Dat oordeel is niet in strijd met het recht en het is evenmin onbegrijpelijk voor de lezer. Nadat de Advocaten het benodigde inzicht in de omvang van de schendingen hebben verkregen en een procedure tegen de Staat hebben aangespannen, zal de rechter in die procedure een beslissing nemen over de bewijslastverdeling. Dan zullen de Advocaten − zo nodig − alsnog bewijs kunnen leveren door middel van getuigen of deskundigen. Onderdeel 3.1 faalt om deze redenen.
onderdeel 3.3is onduidelijk wat het hof bedoelt met de eerste zin van rov. 14.12 en is het oordeel daarom ontoereikend gemotiveerd. Het hof overwoog daar: “De vraag welke gegevens waarschijnlijk zijn beslagen is relevant”. Voor zover het hof hiermee heeft bedoeld dat het verschoningsrecht zich slechts uitstrekt over de gegevens waarop het beslag nog rust, of dat voor de beoordeling van het verzoek van de Advocaten slechts deze gegevens relevant zijn, is dat oordeel volgens de klacht rechtens onjuist. Ter toelichting wordt aangevoerd dat de onderhavige procedure weliswaar ten opzichte van de conservatoire beslaglegging de ‘hoofdzaak’ is als bedoeld in art. 700 lid 3 Rv Pro, maar niet beperkt is tot het achterhalen van feiten en omstandigheden die verband houden met de schending van het verschoningsrecht van – uitsluitend – de gegevens waarop dat beslag nog rust.