Conclusie
3.Hetluidt als volgt:
7. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
eventuele[cursivering hof] vervolging van “Wilders" [18] . In een andere e-mail [19] schrijft een ambtenaar van het ministerie aan een andere ambtenaar van het ministerie dat "het niet onwaarschijnlijk is dat in de MR van morgen (
het hof begrijpt: ministerraad van 21 maart 2014) de vraag aan de orde zal zijn of vervolging van Wilders kansrijk is" en in nog. een andere e-mail [20] "dat een vervolging geen schijn van kans heeft". Er wordt een spreeklijn en woordvoeringslijn afgestemd. Die luidt: "Ik ben bekend met de vragen rond uitspraken van de heer Wilders. Het OM krijgt veel aangiftes hierover binnen. Het OM beoordeelt deze aangiftes." [21] .
eerstemiddel faalt
en ik mag het eigenlijk niet zeggen, want er wordt aangifte tegen je gedaan, en misschien zijn er zelfs D66 officieren die het in proces aandoen (...)". Hieruit leidt het hof af dat de verdachte, toen hij de tenlastegelegde uitlating op 19 maart 2014 deed, welke uitlating overeenkomsten vertoonde met de uitlating van 12 maart 2014, en waarvan hij zelf aangaf dat hij het eigenlijk niet mag zeggen, er al rekening mee hield dat hij voor die uitlating strafrechtelijk vervolgd zou (kunnen) gaan worden. De stelling van de verdediging dat de verdachte met zijn uitlating slechts een onderdeel van de partijstandpunten van de PVV heeft uitgedragen en niet de bedoeling had om te beledigen kan aan het voorgaande niet afdoen [40] . Het verweer wordt verworpen.
tweedemiddel faalt.
derdemiddel faalt.
onnodig grievend
viertot en met
zesfalen
Twin Towerswaren afgebeeld met daarbij de tekst “Islam out of Britain – Protect the British People”. De klacht in Straatsburg tegen de veroordeling slaagde niet omdat volgens het EHRM artikel 17 EVRM Pro eraan in de weg staat dat een beroep op artikel 10 met Pro vrucht kan worden gedaan voor activiteiten “aimed at the destruction of any of the rights and freedoms set forth herein”. Het verbinden van een gehele religieuze groep aan daden van terrorisme is volgens het EHRM onverenigbaar met verdraagzaamheid, maatschappelijke vrede en non-discriminatie. [76] Een tweede wijze van toepassing wordt aangetroffen in een reeks van zaken waarin artikel 17 EVRM Pro door het EHRM wordt betrokken, niet als inhoudelijke inperking van het bereik van de vrijheid van meningsuiting, maar wel als hulpmiddel bij de analyse van de noodzakelijkheid van een inmenging in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM Pro. [77] Soms is sprake van een combinatie van de hiervoor genoemde twee manieren van toepassing, waarbij geredeneerd wordt langs de lijn van een ‘zelfs indien’ sanctionerend optreden tegen de uiting (bijv. holocaust ontkenning) als strijdig met een fundamentele vrijheid zou kunnen worden gezien, die inmenging vanwege artikel 17 EVRM Pro als noodzakelijk is aan te merken in een democratische samenleving. In een derde categorie van toepassing komt naar voren dat er weliswaar een inmenging is met de vrijheid van meningsuiting, maar dat die inmenging onder de bijzondere omstandigheden is gerechtvaardigd en gezien de lichte sanctie proportioneel. [78] De vierde manier manifesteert zich in zaken waarin het EHRM na een uitgevoerde analyse tot de bevinding komt dat de inmenging met de vrijheid van meningsuiting in de voorgelegde zaken wegens gebezigde racistische of islamofobe taal gerechtvaardigd is, achteraf opmerkt dat een directe toepassing van artikel 17 EVRM Pro niet aangewezen was. [79]