Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
10 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde diefstal door inbraak in een woning te Boskoop en het wegnemen van sieraden en geld. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor het gestolen geld, waaronder een bedrag van € 11.570,- dat hij in bewaring had genomen van zijn dochter.
Het hof stelde vast dat verdachte samen met anderen op 10 april 2015 in de woning was ingebroken en onder meer geld en sieraden had weggenomen. De benadeelde partij had aangetoond dat het geldbedrag van € 11.570,- toebehoorde aan zijn dochter en dat hij dit bedrag in bewaring had. Het hof wees de schadevergoeding toe, ook voor dit bedrag, omdat voldoende verband bestond tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de geleden schade.
De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen omtrent het vereiste van rechtstreekse schade en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven. Het oordeel was ook niet onbegrijpelijk, ondanks de aanduiding van de benadeelde partij als 'zaakwaarnemer'. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt toewijzing schadevergoeding van € 14.390,- aan benadeelde partij wegens gestolen geld bij woninginbraak.