Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
30 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft de verduistering van een bankpas en een ov-kaart die verdachte had gevonden maar niet had ingeleverd bij een politiebureau of afdeling gevonden voorwerpen. Het hof stelde vast dat deze goederen op naam van anderen stonden en dat verdachte deze al langere tijd in bezit had zonder ze terug te geven.
Verdachte voerde aan dat hij de pasjes wilde inleveren, maar het hof achtte dit niet aannemelijk en concludeerde dat verdachte zich de goederen wederrechtelijk had toegeëigend in de zin van art. 321 Sr Pro. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verdachte verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende bewijs had voor de bewezenverklaring en dat het middel van verdachte faalde. Het beroep in cassatie werd afgewezen, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.