Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte de auto heeft verduisterd van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk en/of met onvoldoende redenen is omkleed, aangezien de verdachte zich de auto niet heeft toegeëigend, althans hij daartoe geen opzet heeft gehad.
verklaring van [betrokkene 1] , aangever:
verklaring van de getuige [betrokkene 2]:
[hof: 30 maart 2012]heeft [verdachte] de auto niet op zijn naam gesteld of de € 500,00 op mijn bankrekening overgemaakt.
verklaring van de getuige [betrokkene 3]:
verklaring van [verdachte] , verdachte:
relaas van verbalisanten [verbalisant]:
NJ2005/471 ging het om een verdachte die in een winkel ‘in-line skates’ wilde kopen en, toen zijn pinkaart daar niet bleek te werken, aan de winkelmedewerker vroeg of hij elders bij een bank geld mocht opnemen. De skates wilde hij aanhouden, aangezien hij binnen een half uur terug zou zijn om te betalen. Zijn jas, schoenen en ID-kaart liet hij als onderpand achter. De verdachte probeerde bij een andere bank te pinnen, maar tevergeefs en besloot toen de trein naar Amsterdam te nemen. “Ik wilde de rollerskates gewoon hebben. Niets dat me daar vanaf bracht”, aldus verklaarde de verdachte later. Hier was sprake van verduistering, oordeelde de Hoge Raad. De in-line skates behoorden bij het verlaten van de winkel immers nog toe aan de winkel, terwijl de verdachte in strijd met de, met de winkelmedewerker, gemaakte afspraken en zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over de skates had beschikt door ze niet terug te brengen. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2076,
NJ2016/424 betreft een zaak waarin de verdachte na afloop van de huurovereenkomst een gehuurde bedrijfsauto niet had teruggebracht en de auto gedurende een periode van vijf maanden na de afgesproken retourdatum – en daarmee tot aan zijn aanhouding – was blijven gebruiken. Het hof oordeelde dat sprake was van zich wederrechtelijk toe-eigenen omdat niet alleen was vastgesteld dat de verdachte de gehuurde bedrijfsauto ook na de huurperiode was blijven gebruiken, maar tevens dat door aan de zijde van de verdachte gelegen omstandigheden de betaling van de factuur (automatische incasso) was gestorneerd, dat de verhuurder herhaaldelijk had geprobeerd met de verdachte in contact te komen en dat de verdachte niet traceerbaar was, ook niet aan de hand van het door hem opgegeven adres. [6] Dat oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was toereikend gemotiveerd.