ECLI:NL:HR:2018:1321

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2018
Publicatiedatum
25 juli 2018
Zaaknummer
16/00546
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 69.4 AWRArt. 27 SvArt. 359.5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak valsheid in geschrift en onjuiste aangifte omzetbelasting

De zaak betreft een verdachte die als bestuurder van een onderneming verkoopfacturen vervalste en op basis daarvan onjuiste aangiften omzetbelasting deed, wat leidde tot vervolging wegens valsheid in geschrift en opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting.

De Hoge Raad behandelde het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafmaat, met verwerping van het beroep voor het overige.

Een belangrijk punt in cassatie was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte dit gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, te verminderen tot zeventien maanden en een week, met behoud van de voorwaardelijke straf en proeftijd.

De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vernietigde het arrest dus alleen wat betreft de strafmaat en handhaafde het verder.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 30 januari 2018.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Uitspraak

30 januari 2018
Strafkamer
nr. S 16/00546
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 27 januari 2016, nummer 21/006211-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben W. de Vries en M.J. van Essen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman W. de Vries heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het vijfde middel

2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 januari 2018.