Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 september 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin het hof het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigde en opnieuw recht deed ten aanzien van de strafoplegging. Het hof legde een gevangenisstraf op van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en bevestigde de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden.
De advocaat-generaal had voorgesteld het arrest te vernietigen met betrekking tot de strafoplegging en de zaak terug te verwijzen voor hernieuwde berechting. Het middel in cassatie klaagde dat het hof niet duidelijk had beslist op de vordering tot tenuitvoerlegging.
De Hoge Raad oordeelde dat het arrest van het hof aldus moet worden gelezen dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden is toegewezen. Het hof heeft zijn oordeel over de strafoplegging in de plaats gesteld van dat van de rechtbank en het vonnis voor het overige bevestigd, waaronder de tenuitvoerlegging. Hierdoor ontvalt het middel de feitelijke grondslag en leidt het beroep niet tot cassatie.
De Hoge Raad benadrukte dat bij gedeeltelijke vernietiging en bevestiging het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank elkaar niet mogen tegenspreken en dat ondubbelzinnig moet blijken welke straffen en maatregelen zijn opgelegd. Het verdient aanbeveling dat het dictum van het hof een integrale weergave van alle opgelegde straffen bevat om misverstanden te voorkomen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf is toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en verwerpt het cassatieberoep.