2. Het eerste middel
2.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging heeft vernietigd maar heeft nagelaten om in hoger beroep een beslissing te nemen omtrent een in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon (GSM).
2.2. Het vonnis van de rechtbank houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
Tijdens het onderzoek werd onder verdachte een gsm van het merk Samsung in beslag genomen. Nu de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat deze gsm enig verband houdt met de strafbare feiten, zal deze worden teruggegeven aan verdachte.
(…)
9 De beslissingDe rechtbank:
(…)
Beslag
- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende inbeslaggenomene:
1 GSM Samsung (goednummer 2343975).”
2.3. Het arrest van het hof houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde (…) en is zij ter zake van:
(…), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslist ten aanzien van het beslag en is de teruggave aan de verdachte gelast van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven GSM Samsung (goednummer 2343975).
(…)
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen met het proces-verbaal van bevindingen als weergegeven op pagina 84 van het dossier (zie voetnoot) en met uitzondering van de opgelegde straf en de strafmotivering.
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenstaande.”
2.4. Volgens de steller van het middel heeft het hof gelet op bovenstaande ten onrechte geen beslissing genomen over de inbeslaggenomen GSM. In de toelichting op het middel wordt daarvoor allereerst kort gezegd aangevoerd dat de Hoge Raad in zijn arrest van 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430 heeft bepaald dat indien door de Hoge Raad een bestreden uitspraak 'uitsluitend wat betreft de strafoplegging' wordt vernietigd, in een dergelijke vernietiging (onder andere) ook de beslissingen als bedoeld in art. 353-354 Sv omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen worden begrepen. Hoewel dit een andere situatie betreft dan wanneer het hof een vonnis van de rechtbank vernietigt en/of bevestigt, valt volgens de steller van het middel niet in te zien waarom hoven analoog aan de jurisprudentie van de Hoge Raad bij vernietiging van de strafoplegging niet ook een (nieuwe) beslissing dienen te nemen over het beslag. 2.5. Daarbij is volgens de steller van het middel van belang dat de in dit opzicht te volgen lijn in de appelrechtspraak niet eenduidig is. Zo heeft het hof in de onderhavige zaak niet opnieuw een beslissing genomen ten aanzien van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Maar in een andere zaak, afkomstig uit hetzelfde ressort, nam het hof in een vergelijkbare situatie (te weten: vernietiging voor wat betreft de strafoplegging en -motivering) wel opnieuw een beslissing over de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Daarvoor wordt verwezen naar gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3477 waarin in het arrest onder andere het volgende staat opgenomen: “Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van (de primair ten laste gelegde) poging tot moord vrijgesproken. De rechtbank heeft verdachte ter zake van (de subsidiair ten laste gelegde) poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen over diverse inbeslaggenomen goederen.
(...)
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de strafmotivering en de opgelegde straf.
Evenals de rechtbank, zal ook het hof het mes waarmee de poging doodslag is gepleegd (goednummer 620547) verbeurdverklaren.
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafmotivering en de straf en doet in zoverre opnieuw recht;
(…)
verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen mes, goednummer 620547;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, inclusief de overige beslissingen ten aanzien van het beslag.”
Tevens wijst de steller van het middel op diverse arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden en Amsterdam waarin bij vernietiging van de strafoplegging en -motivering wel opnieuw beslissingen werden genomen omtrent het beslagmaar ook op een arrest van het hof Den Haagwaarin dat (weer) niet werd gedaan.
2.6. Tot slot wordt voor wat betreft het belang bij cassatie, met het oog op HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:BX0146, rov. 2.2.3, HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1610 en HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3166, door de steller van het middel nog het volgende aangevoerd. Het is volgens de steller van het middel niet duidelijk of het hof hetzij is vergeten om een nieuwe beslissing over het in beslag genomen maar nog niet teruggegeven voorwerp te nemen, hetzij dat het hof van oordeel was dat het geen nieuwe beslissing omtrent het in beslag genomen maar nog niet teruggegeven voorwerp hoefde te geven. De afwezigheid van een beslissing omtrent de in beslag genomen GSM vormt dus niet een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de raadsheren die op de zaak hebben gezeten. Het is dan ook niet evident dat de verdachte, indien zij zich binnen de in art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn richt tot het hof over het uitblijven van een last tot teruggave van het in beslag genomen maar nog niet teruggegeven voorwerp, in het gelijk zou worden gesteld. Tot slot kan, gelet op de verschillen in de hiervoor aangehaalde arresten van hoven, aan het middel niet een zekere zaaksoverstijgende betekenis (en dus belang bij cassatie) worden ontzegd.