Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
[betrokkene 3] (BASTIA
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
11 september 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor witwassen door het voorhanden hebben en gebruik maken van schepen gekocht met misdrijfsgeld.
De bewezenverklaring omtrent het voorhanden hebben van de schepen wordt voldoende gemotiveerd geacht, gebaseerd op onder meer verklaringen, bankafschriften en aankoopdocumenten. De bewezenverklaring dat verdachte van de schepen gebruik heeft gemaakt, kan niet zonder meer uit de bewijsvoering worden afgeleid, maar dit leidt niet tot vernietiging omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde ongewijzigd blijven.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en het arrest pas na meer dan twee jaar na het cassatieberoep is gewezen. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden naar zestien maanden.
De rest van het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd, behoudens de strafduur die wordt verminderd.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien naar zestien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.