Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
2 oktober 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter in 2013 tot een werkstraf van 240 uur wegens bijstandsfraude. Pas in april 2016 stelde zij hoger beroep in tegen dit vonnis. Het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep niet tijdig was ingesteld.
De kern van het geschil betrof de vraag of de verdachte al dan niet bekend was met het verstekvonnis in een eerdere periode, waardoor de termijn voor het instellen van hoger beroep was gaan lopen. Uit een rapportage van de reclassering bleek dat de verdachte in of rond juli 2014 telefonisch contact had over de uitvoering van de opgelegde werkstraf van 240 uur. De verdediging stelde dat de verdachte alleen wist van een oude werkstraf van 30 uur en niet van het vonnis uit 2013.
Het hof oordeelde echter dat de verdachte door het contact met de reclassering bekend was met het vonnis uit 2013 en dat het hoger beroep daarom te laat was ingesteld. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. Hiermee bleef de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep in stand.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late indiening.