Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
Op 15 augustus 2015 schoot verdachte op het slachtoffer, waarbij het slachtoffer dodelijk werd getroffen in het bovenlichaam. Aanleiding was een eerdere aanval van het slachtoffer op verdachte met een ijzeren staaf.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het beroep op noodweerexces niet slaagt omdat de noodweersituatie was beëindigd toen verdachte schoot en het handelen niet het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de eerdere aanval. Diverse getuigenverklaringen bevestigen dat verdachte rustig wegliep na het schot en geen paniek vertoonde.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor noodweerexces en bevestigt het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is dat het handelen van verdachte het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging door de eerdere aanval. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beroep op noodweerexces wordt afgewezen.