Conclusie
Het eerste middelkeert zich tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer en daarvan afgeleide strafuitsluitingsgronden. De bezwaren richten zich kennelijk enkel tegen de veroordeling voor feit 1. De tijd die lag tussen de agressie door [slachtoffer 1] en zijn groep en het pakken van het wapen door verdachte is kleiner dan het hof heeft aangenomen en in aanmerking genomen de hele voorgeschiedenis van ruzie en dreiging is de verwerping van het verweer onbegrijpelijk. Het hof heeft bovendien niet onderzocht of van verdachte gevergd kon worden dat hij zich aan de agressie zou onttrekken. Ten onrechte heeft het hof bovendien geoordeeld dat de reactie van verdachte dermate disproportioneel is dat een beroep op noodweerexces reeds om die reden niet opgaat.
tweede middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is op 10 november 2016 ingesteld en het dossier is eerst op 15 december 2017 ter griffie van Hoge Raad ontvangen. Daaraan hebben de stellers van het middel lezenswaardige opmerkingen toegevoegd over de wijze waarop de Hoge Raad met schendingen van de redelijke termijn omgaat en over pogingen om de Hoge Raad op andere gedachten te brengen. Deze opmerkingen nopen niet tot een reactie in deze conclusie.