Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 31 maart 2015 in een cellengang van een politiebureau in Amsterdam onverhoeds de linkerbil van een hem onbekende vrouw kneep. Deze vrouw was een in burger geklede hoofdagent van politie. De verdachte lachte vervolgens en zei: "It was a joke".
Het hof oordeelde dat deze gedraging een ontuchtige handeling is in de zin van artikel 246 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat het knijpen in de bil vanuit seksueel oogpunt niet neutraal is en in strijd is met sociaal-ethische normen. Het hof verwierp het verweer dat het gedrag slechts een grap was en dat de verdachte handelde in een opwelling van vreugde vanwege zijn vrijlating.
In cassatie stelde de verdachte dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van een ontuchtige handeling. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende en juiste motieven had gegeven en dat het oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde. Het beroep werd daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor feitelijke aanranding wegens het onverhoeds knijpen in de bil van een onbekende vrouw.