Conclusie
Bewijs
verklaring van [betrokkene 1] ( 18 maart 1995):
verklaring van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1996:
relaas van verbalisant [verbalisant]:
e verklaring van [verdachte] (verdachte):
verklaring van de verdachteter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:
verklaring van [slachtoffer 2] (aangever):
als relaas van verbalisant [verbalisant]:
verklaring van de verdachteter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:
eerste middelklaagt over schending van art. 342, tweede lid, Sv met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit.
11.Het eerste middel faalt.
tweede middelklaagt dat het hof in de motivering van het bewezenverklaarde feit 1 ten onrechte niet is ingegaan op de ontlastende verklaringen van het slachtoffer van 2 november 2013 en 22 december 2017.
15.Het tweede middel faalt.
derde middelklaagt dat het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, in het kader van de bewijsmotivering van feit 1 een alternatief scenario heeft verworpen.
21.Het derde middel treft dus geen doel.
vierde middelklaagt over schending van art. 342, tweede lid, Sv met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde feit.
32.. Het vierde middel faalt.
vijfde middelklaagt over de motivering van de onder feit 3 bewezen verklaarde dwang als bedoeld in art. 246 Sr Pro.
41.. Het vijfde middel faalt.
zesde middelklaagt dat het hof onder feit 3 ten onrechte, althans onbegrijpelijk, ‘ontuchtige handelingen’ als bedoeld in art. 246 Sr Pro bewezen heeft verklaard.
49.Het zesde middel faalt.
zevende middelklaagt over de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.
56.Het zevende middel faalt.
achtste middelklaagt over de schending van de redelijke (inzend)termijn in cassatie als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.